AngstCentrum
Ambulant Consultatie-Advies & Behandelcentrum voor Angsten, Fobieën & Emotionele Problemen
Toevoegende informatie voor huisartsen
De behandeling berust op volgende uitgangspunten:
Openheid naar de cliënt en in samenwerking met de cliënt een behandelplan opstellen
dat klacht- hulpvraag- en resultaatgericht is
en in de mate van het mogelijke kortdurend dient te zijn.
Verloop
Het behandelverloop bestaat uit volgende fasen:
Intake
Cognitieve Educatieve Therapie (CET)
Gedragstherapie (Gt)
Evaluatie en afronding
Follow-up
Fase 1: Intake
De intake begint met het afnemen en opstellen van een klachteninventarisatie. Deze bestaat uit een klachtgericht en gestructureerd gesprek met de cliënt. Dit wordt aangevuld met door de cliënt ingevulde zelfbeoordelingschalen. Het geheel wordt klinimetrie genoemd.
De klachteninventarisatie is in eerste instantie op een mogelijke angststoornis gericht,
eventueel aangevuld met informatie over een mogelijke co-morbide depressie. Tevens wordt
globaal nagegaan of er andere psychiatrische stoornissen aanwezig zijn. Bij de
klachteninventarisatie wordt van de DSM-IV-criteria gebruik gemaakt.
Vervolgens wordt globaal navraag gedaan of de cliënt somatoforme klachten of een stoornis,heeft welke mogelijk een behandeling nadelig kunnen beïnvloeden. Zo nodig wordt bij de huisarts de nodige informatie of adviezen opgevraagd.
Er wordt voor de huisarts een verslag opgemaakt. In dit verslag wordt een pre-
diagnose voorgesteld. Vanuit de pre-diagnose en de hulpvraag van de cliënt kan een voorlopig behandelplan worden opgesteld.
Indien de cliënt een ernstig vermijdingsgedrag heeft, kan het intakegesprek bij de cliënt thuis
plaatsvinden.
Medicatie
Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat bij de meeste angststoornissen (wel of niet met een co-morbide depressie) een antidepressivum uit de SSRI-groep de meest rationele, effectieve en eerste keus farmacotherapie is. Vandaar dat de huisarts wordt gevraagd, gezien zijn/haar bevoegdheid, hiervoor de nodige zorg te dragen.
Bovendien hebben studies aangetoond dat een combinatie van farmacotherapie (m.n. SSRI) met cognitieve gedragstherapie de meest effectieve behandeling is bij paniekstoornis, sociale fobieën, PTSS en OCS.
Fase 2: Cognitieve Educatieve Therapie
De Cognitieve Educatieve Therapie (CET) heeft als doel: samen met de cliënt zijn problemen zodanig herformuleren dat het aandeel van achterliggende opvattingen en gedachten van de cliënt centraal komt; een samenwerkingsverbond met de cliënt trachten te sluiten; (op educatieve wijze) de cliënt inzicht te geven in het mechanisme en de relatie tussen de (verkeerde) interpretaties, de lichamelijk klachten (neurovegetatieve klachten) en het emotioneel beleven (angst, onzekerheid, minderwaardigheid, somberheid...) en het gedrag (vermijdings- of dwanggedrag).
Fundamentele veronderstellingen die aan de gedachtegang van de cliënt ten grondslag
liggen worden samen met de cliënt opgespoord, op hun houdbaarheid bekeken, getoetst en indien nodig/gewenst worden nieuwe opvattingen of herinterpretaties geformuleerd.
Er wordt een leerproces op gang gebracht zodat de cliënt zelfstandig alternatieve (en meer rationele) gedachtegangen kan leren formuleren. Net als in wetenschappelijk onderzoek wordt daarbij van twee criteria gebruik gemaakt: interne logica en empirische
houdbaarheid.
De CET-sessie duurt ongeveer 4 uren en is een éénmalige sessie. Deze sessie kan door enkele stuursessies worden opgevolgd, naargelang de behoefte van de cliënt en de vorderingen in het leerproces.
Gezien partners en/of familieleden van de cliënt dikwijls machteloos staan ten aanzien van de problemen van de cliënt, is het voor de partner/familie- of gezinslid tevens belangrijk
meer inzicht in het probleem te krijgen. Hierdoor is er mee begrip en bovendien kan er
makkelijker hulp en steun worden geboden.
Fase 3: Gedragstherapie
Voor de gedragstherapeutische interventies zijn twee mogelijkheden voorzien:
Exposure in vivo (met responspreventie) onder begeleiding. Hiervoor worden in
principe vier dagen voorzien. Per dagsessie ongeveer 8 uren. De gedragstherapie heeft als doel dat zowel het vermijdingsgedrag doorbroken wordt en dat (anticipatie-)angst de kans krijgt uit te doven. Streven is: dat elke dagsessie (na het bereikte doel) met resultaat wordt afgesloten. Dagsessies hebben een sterk motiverend effect tot therapietrouw en bovendien een prognostisch gunstige invloed op lange termijn. Bij OCS is het mogelijk dat er meer dan 4 dagsessies noodzakelijk zijn. Bovendien kan het nodig zijn dat bij OCS de exposure sessies in thuissituaties dienen plaats vinden.
Tweede mogelijkheid is dat de cliënt een training krijgt voor zelfexposure. Indien het
vermijdingsgedrag beperkt, minder generaliserend en niet extreem is kan een training voor zelfexposure voldoende hulp bieden. De zelfexposure zal samen met de cliënt geëvalueerd worden.
In beide exposure modellen heeft de cliënt inspraak en is hij/zij mederegisseur van zijn/haar behandeling.
Fase 4: Evaluatie en afronding
Na de interventies wordt met de cliënt geëvalueerd. Er wordt nagegaan of de gestelde doelen en resultaten zijn bereikt en in hoeverre de cliënt zelfstandig het aangeleerde voort kan zetten. Mochten de gestelde doelen niet zijn bereikt zullen mogelijke belemmeringen en/of moeilijkheden worden opgespoord en in nieuwe behandeldoelen worden omgezet, waarna de nodige sessies volgen.
Pas als de cliënt tevreden is met zichzelf en de behaalde doelen zal de behandeling worden
afgerond. De afronding bestaat uit verdere afspraken met de cliënt en een evaluerend verslag naar de huisarts (of doorverwijzende behandelaar/instantie).
Fase 5: Follow-up
Na afronding van de behandeling krijgt en heeft de cliënt recht op een opvolging. Deze bestaat er uit dat de cliënt na behandeling de mogelijkheid heeft zich te melden indien er
klachten optreden. Zowel een adviserend consult als (indien nodig) toevoegende
behandelsessies zijn kosteloos.
De follow-up heeft ook een onderzoeksdoel. Het is belangrijk na te gaan of de toegepaste
behandelprotocollen aan hun doelen beantwoorden en welke de lange termijn effecten zijn. Vandaar dat er wordt gestreefd naar het steeds optimaliseren, bijstellen en kritisch beoordelen van de behandel-protocollen.
Wetenschappelijk onderzoek
In het kader van wetenschappelijk onderzoek worden er regelmatig contacten onderhouden
met het Academisch Angst centrum te Maastricht (AAC), verbonden aan de Universiteit Maastricht (vakgroep Neuro-psychologie-Biologische Psychiatrie). Aldaar wordt er intensief aan wetenschappelijk onderzoek gedaan met betrekking tot angststoornissen.
Indien gewenst en op vraag zal het angstcentrum participeren in bepaalde onderzoeksprojecten.
Het AngstCentrum voorziet in de mogelijkheid een presentatie te bieden aan huisartsen-
groepen (eventueel met casus).
Jos Jazie
PV Gedragstherapeut
AngstCentrum
Postadres: Neerharenweg 6, 3620 Lanaken
tel. 089-71.42.74