Uit: 'De Vrouw die haar meubels met suiker bestrooide'
Verteld door een OCD-patiënt
Ik rijd met een snelheid van ruim tachtig kilometer per uur over de grote weg. Ik heb mijn veiligheidsgordel vastgemaakt en let goed op dat ik me aan alle verkeersregels houd. Er is niemand anders op de weg,geen sterveling. Volkomen onverwacht word ik getroffen door een aanval van OCD. Het lijkt wel magie zoals het mijn waarneming van de realiteit vervormt. Terwijl er in werkelijkheid niemand op de weg is, dringt de gruwelijke gedachte zich aan me op dat ik misschien iemand heb aangereden... Een mens! God weet waar een dergelijke fantasie vandaan komt. Ik denk hier een ogenblik over na en zeg dan tegen mezelf: "Dat is belachelijk! Ik heb niemand aangereden." Maar de kiem van een knagende angst is desondanks gelegd, een angst die ik uiteindelijk niet zal kunnen bedwingen zonder daar een hoge emotionele prijs voor te betalen. Ik probeer deze fantasie te verdrijven met behulp van de werkelijkheid.daarom redeneer ik: als ik iemand heb aangereden had ik dat moeten VOELEN. Dit kortstondige besef doet de pijn verdwijnen... maar niet langer dan een ogenblik. Waarom? Omdat de knagende angst dat ik het denkbeeldige ongeval werkelijk heb veroorzaakt toeneemt... en daarmee ook de pijn. De pijn komt voort uit een intens schuldgevoel omdat ik een onaanvaardbare, onoplettende daad heb verricht. Ergens weet ik dat dit belachelijk is,maar een afschuwelijke pijn in mijn maag vertelt me iets heel anders.Opnieuw probeer im deze waanzinnige gedachte en dat akelige schuldgevoel van me af te zetten.Stel je niet aan,denk ik.Dit is ECHT waanzin!Maar het vreselijke gevoel blijft.De angstwekkende pijn zegt me:"Je hebt echt iemand aangereden."De aanval beheerst me nu volledig.Iedere realiteitszin is verdwenen.Mijn zintuigelijke waarneming is verwrongen.Ik moet die pijn verdrijven.Ik kan maar een manier bedenken om dat te doen:controleren of mijn fantasiebeeld waar is.Ik begin te piekeren:misschien heb ik inderdaad iemand aangereden en drong het niet tot me door...O,mijn god!Misschien heb ik wel iemand gedood!Ik moet terug gaan om te kijken. Alleen verifiëren kan de angst wegnemen.Het brengt me op de een of andere manier dichter bij de waarheid.Ik kan niet leven met de gedachte dat ik misschien echt iemand heb gedood.Ik moet het controleren.Nu zweet ik...letterlijk.Ik bid dat deze afschuwelijke daad van onoplettendheid niet is gebeurd.Mijn fantasie slaat op hol. Vertwijfeld hoop ik dat de jury barmhartig zal zijn.Ik pieker vooral over de vraag of mijn ouders het wel zullen begrijpen.Per slot van rekening ben ik nu een misdadiger.Ik moet de angst beteugelen door het te gaan verifiëren.Is het echt gebeurd? Al mijn OCD-fantasieën bevatten altijd een minuscule kern van waarheid(of van potentiële waarheid).Ik denk bij mezelf:ga het gauw controleren.Verdrijf de pijn door na te gaan of het werkelijk is gebeurd.Schiet op!God,als ik dat doe,kom ik te laat voor mijn eindexamen.Maar ik heb geen keus.Er zou iemand langs de weg kunnen liggen,bloedend stervende. Het fantasiebeeld is nu mijn enige realiteit.Evenals mijn pijn. Ik ben acht kilometer doorgereden sinds de aanval begon.Ik keer de auto en rijd terug naar de plaats van het fictieve ongeluk,naar de plek waar ik 'denk'dat het'misschien'is gebeurd.Daar is natuurlijk niets te zien.Geen politiewagen en geen bebloed slachtoffer.Opgelucht vervolg ik mijn weg om op tijd te zijn voor mijn examen. Gedurende de eerste twintig seconden voel ik me een stuk beter,maar dan komen de sluimerende geadachten terug en begint de pijn weer te knagen.Alleen is het deze keer nog intenser.Ik denk:had ik het struikgewas langs de weg niet moeten controleren? Misschien werd de gewonde weggeslingerd en ligt hij daar nu nog.Misschien ben ik niet ver genoeg teruggereden en gebeurde het ongeluk een kilometer verder terug.De mogelijkheid dat ik iemand heb verwond veroorzaakt nu zo'n hevige pijn ,dat ik geen keus heb:ik zie het werkelijk zo. Ik keer de auto voor de tweede keer en rijd weer terug,nu een kilometer verder,om naar het lichaam te zoeken.Ik rijd er snel voorbij en ga dan weer op weg naar school in de geruststellende overtuiging dat ik deze keer ver genoeg ben teruggereden.Maar ik ben er nog niet van af.Mijn god! De OCD-aanval zt zich meedogenloos voort.Ik ben niet UITGESTAPT om in de berm te kijken.En dus ga ik voor de derde keer terug.Ik rijd naar het deel van de weg waar het ongeval volgens mij moet zijn gebeurd.Ik parkeer de auto in de berm.Ik stap uit en doorzoek het struikgewas.Er nadert een politiewagen.Ik heb het gevoel alsof ik gek word.De agent die me in het struikgewas ziet snuffelen,vraagt:"Wat bent u aan het doen?Kan ik u soms helpen?"Nu verkeer ik in een dilemma..Ik Ik kan niet zeggen:"Maakt u zich maar niet druk, agent.Ik ben namelijk een van de vier miljoen Amerikanen die aan OCD lijden. Ik handel alleen maar volgens een dwangneurose die obsessieve kantjes heeft."Ik kan zelfs niet zeggen:"Ik ben doodziek.Help me alstublieft."De ziekte is zo verradelijk en beschamend,dat je niet tegenover iedereen wilt toegeven dat je eraan lijdt.Er zijn trouwens maar weinig mensen-ik net zomin!-die het begrijpen. Daarom vertel ik de agent dat ik zenuwachtig was voor mijn examen en in de berm ben gestopt omdat ik moest overgeven.De politieman kijkt me met een welge- meend en begrijpend lachje aan en wenst me het beste. Maar ik begin alweer te piekeren:misschien is er wel een ongeluk gebeurd en hebben ze het slachtoffer van de weg gehaald.De agent is hier om te kijken of ik terug kwam naar de plaats van het misdrijf.God,misschien heb ik toch iemand aangereden...Wat heeft een politiewagen hier anders te zoeken?Op dat moment besef ik dat hij mij vragen zou hebben gesteld.Maar als hij me wilde snappen, zou hij dat dan hebben gedaan?Ik word zo in beslag genomen door de angst en door deze afschuwelijke gedachten, dat ik een ogenblik vergeet waarom ik hier in de berm sta.Ik stap in mijn auto en ga weer op weg.De angst nadert zijn hoogtepunt.Was de politieman soms niet op de hoogte van het ongeval?Ik zou terug moeten gaan om de plek GRONDIGER te doorzoeken.Ik wil teruggaan en nog eens goed rondneuzen...Maar dat kan niet.De politiewagen volgt me namelijk!Ik ben nu bijna hysterisch,omdat ik er oprecht van overtuigd ben dat er iemand in het struikgewas ligt dood te bloeden.Ja...de pijn maakt dat ik dat geloof.Waarom,zo redeneer ik,zou die pijn er anders zijn? Als ik op school kom is het examen al begonnen.Ik heb moeite met de opgaven omdat ik onophoudelijk word achtervolgd door de fantasiebeelden.De gedachten aan het vermeende ongeluk blijven zich aan me opdringen.Op de een of andere manier worstel ik me door het examen heen. Zodra het achter de rug is,stap ik in mijn auto om opnieuw een controle uit te voeren.Maar nu let ik op twee dingen.In de eerste plaats wil ik me ervan overtuigen dat ik niemand heb gedood of verwond,en in de tweede plaats mag dezelfde agent me niet opnieuw betrappen. Immers,als ik voor de tweede keer wordt gezien terwijl ik rondsnuffel in het struikgewas langs de weg,hoe zou ik een dergelijk verdacht en zinloos gedrag dan in vredesnaam moeten verklaren?Ik ben volkomen uitgeput, maar die afschuwelijke angst dwingt me tot controlehandelingen,ook al vertelt een deel van mijn geest me voortdurend dat dit gedrag belachelijk is,dat het absoluut geen zin heeft.Maar als je aan OCD lijdt,kun je niet anders.Eindelijk,na het uitvoeren van verscheidene controles,ben ik in staat het ritueel te doorbreken. Dodelijk vermoeid rijd ik naar huis.Ik weet dat ik me beter zal voelen als ik het door slaap van me kan afzetten.Soms verdwijnt de pijn door middel van een ontsnapping in de slaap.Het lukt me mijn bed te bereiken en te gaan liggen,verlangend naar de slaap.Maar het incident heeft me nog niet helemaal losgelaten,evenmin als de angst.Ik denk:als ik werkelijk iemand heb aangereden,zou er een deuk in de bumper van mijn auto moeten zitten.Wat ik nu doe,is voor niemand een mysterie.Ik sta moeizaam op van mijn bed en loop snel naar de garage om de autobumpers te controleren.Eerst onderzoek ik de twee bumpers aan de voorkant,zie geen schade en ga weer naar bed.Maar...HEB IK WEL GOED GENOEG GEKEKEN?Ik sta weer op en ga vervolgens DE HELE CARROSSERIE van de auto controleren.Ik weet dat dit absurd is,maar ik kan er niets aan doen.Eindelijk,eindelijk, maak ik me ervan los en keer terug naar mijn kamer om te gaan slapen.Mijn laatste gedachte voordat ik in slaap val,is: wat is het volgende dat ik zal controleren?
Ik zal u iets meer vertellen over mezelf. Ik ben zesendertig jaar en lijd al sinds mijn zesde,in meerdere of mindere mate, aan obsessies. Mijn zoon Jeffrey,die vijf jaar is,lijdt zeker al vanaf zijn tweede ook aan de ziekte,zij het minder ernstig. De kans is groot dat mijn neefje van acht eveneens OCD heeft,evenals zijn vader en mijn vader.Ik schrijf dat nu wel,maar als het aan OCD-lijders ligt, vertellen familieleden elkaar bijna nooit dat ze de ziekte hebben.Ik ben degene die het zwijgen heeft verbroken. Mijn broer reageerde opvallend goed op imipramine,dat in sommige gevallen helpt bij OCD.Hij zei:"Ik had niet gedacht dat ik ooit verlost zou worden van de pijn en de angst van al mijn afschuwelijke gedachten." Misschien zullen mijn andere broer en mijn neefje ertoe besluiten zich ook te laten behandelen. Ik kan niet precies de kwellende pijn beschrijven van de angst die wordt opgeroepen door een OCD-aanval. Het controle-incident waarover ik zojuist heb verteld,overkwam me in het verleden geregeld. Tussen mijn tweeëntwintigste en drieëndertigste kreeg ik een dergelijke aanval dagelijks(één of twee kortstondige 'rustpauzes' daargelaten).Hij achtervolgde me vaak de hele dag,en als hij verdween,kwam er al snel een nieuwe aanval,voortvloeiend uit de vorige,voor in de plaats.Later ontstonden andere controlevormen.Ik ben wel tot middernacht in mijn laboratorium gebleven,gedwongen om de eenvoudigste berekeningen van mijn computer met de hand te controleren.Hey werk wordt niet gepubliceerd omdat ik er nooit helemaal zeker van kan zijn dat de gemiddelde cijfers juist werden berekend. Het is niet mijn bedoeling om dramatisch te doen en ik vraag evenmin om sympathie of medelijden.Het is gewoon een onontkoombaar feit dat deze ziekte zo ondragelijk wordt gemaakt door de pijn,die felle,brandende,nooit aflatende pijn.Ik ken die pijn.Dat geldt ook voor al die anderen die,evenals mijn familieleden en ik,aan OCD lijden. Als ouder moet je deze verradelijke ziekte eerst leren begrijpen.En dan heb ik het niet over de oorsprong ervan of over de bizarre gedragingen die ze oproept. Nee,je moet in eerste instantie begrijpen hoeveel pijn OCD zijn slachtoffers bezorgt.Als je de pijn van je kind kunt accepteren,wordt het gemakkelijker om met de ziekte te leven. Achteraf bezien lijkt het alsof de pijn van een OCD-aanval psychologisch heviger was dan de pijn die de dood van mijn vader,van wie ik hield,veroorzaakte.Dit is voor een normaal mens misschien moeilijk te bevatten.Toch is het helaas waar.Mijn gevoelens van verdriet en verlies waren onbeduidend en van korte duur vergeleken bij elke van de honderden OCD-aanvallen die ik in mijn leven heb gehad. Hoewel er al in mijn vroege jeugd aanwijzingen waren dat ik aan de ziekte leed,manifesteerde deze zich pas duidelijk toen ik tweeëntwintig was.Mijn symptomen waren kenmerkend voor lijders aan OCD.Ik controleerde het gasfornuis en de deursloten soms wel twintig keer voordat ik 's avonds naar bed kon gaan.Ik was bang dat ik mezelf en anderen zou vergiftigen met insekticiden of schoonmaakmiddelen waarmee ik mogelijk in contact was geweest. Ik reed van mijn werk naar huis met de gedachte dat ik het licht in mijn kantoor had laten branden en ging dan helemaal terug om te kijken of het wel uit was:het zou brand kunnen veroorzaken.Soms deed ik dit vaker dan één keer op een dag. Veel van de obsessies en dwanghandelingen kwamen voort uit een enorme angst dat mijn agressieve impulsen,mijn woede,bekend zouden worden zonder dat ik het zelf in de gaten had.Ik dacht altijd dat ik een brand zou veroorzaken als ik achteloos omging met sigaretten of dat ik iemand zou doden door roekeloos te rijden.Mijn waakzaamheid nam nooit af...en was afmattend. Ieder obsessief incident ging vergezeld van de fantasie dat er iets verschrikkelijk met mij of met iemand anders zou gebeuren als ik er niet op inging.Ik zou mijn baan verliezen,in de gevangenis belanden of iemand verwonden- dit waren de gemiddelde rampzalige fantasieën. Om er zeker van te zijn dat die dingen niet zouden gebeuren werd ik gedreven tot mijn dwangmatige handelingen. Nu schud ik vol afkeer mijn hoofd als ik denk aan de energie en de tijd die ik stak in talloze zinloze handelingen.Ik kijk terug en vraag me af hoe ik meer dan tien jaar op deze manier heb kunnen leven.Het was ondraaglijk. Ik hield mijn ziekte verborgen.Ik was als een alcoholist die zijn drankzucht geheimhield voor de buitenwereld.Mijn grootste angst was dat het ontdekt zou worden.Mijn vrouw verwenste me soms vanwege de ziekte.Ik haatte mezelf. Maar ik kon er niets tegen doen.De ziekte beheerste jou,en niet omgekeerd. Een ouder van een kind met OCD moet de angstpijn begrijpen,evenals de macht van die pijn over het gedrag van de betrokkene.Je kind heeft absoluut geen zeggenschap over wat hij of zij doet...Geen enkele zeggenschap! De rituelen van je kind zijn misschien volkomen zinloos.Ze hebben in jouw ogen geen enkel nut.Verstandelijk kun je niet begrijpen waarom het kind doet wat het doet.Probeer het ook niet op die manier te begrijpen,want dat leidt alleen tot frustratie.Bij deze ziekte bestaat geen normale menselijke wijze van redeneren,geen logica.De enige logica is de niet-aflatende pijn van uw kind,zijn enorme behoefte om deze pijn te verdrijven en zijn ongewilde gedrag om dit te bereiken. In 1973, een jaar na de eerste aanval,ging ik in therapie.De psychiater was bijzonder goed.In de loop van de daaropvolgende drie jaar maakte ik in een aantal opzichten uitstekende vorderingen.Ik leerde hoe ik me kon aanpassen en de ziekte het hoofd kon bieden. Als er een emotionele bron aan de ziekte ten grondslag ligt,deed de psychiater al het mogelijke om die te elimineren. Kort daarna trad er een remissie op en ging het een aantal jaren goed.Het was nog niet perfect,maar mijn toestand was in belangrijke mate verbeterd.Na vijf jaar therapie werd het duidelijk dat spanningen in het dagelijkse leven aanvallen van OCD opriepen.Na de geboorte van mijn eerste kind sloeg de ziekte weer toe,deze keer harder dan ooit tevoren. Ik was in staat om te werken en zelfs heel goed te functioneren.Maar het koste me dagelijks zoveel energie om de ziekte te hanteren,dat ik een groot deel van de tijd emotioneel en fysiek uitgeput was.Ik had twee tot drie keer zoveel tijd nodig voor alles wat ik moest doen.Ik was bezig met computerprogrammering voor mijn research en besteedde uren aan het eindeloos controleren of mijn programma's wel klopten.Ik kon het werk op een gegeven moment als voltooid beschouwen,maar dan werd ik vrijwel zeker weer door een aanval getroffen en stond ik midden in de nacht op met de gedachte dat er toch nog één of twee fouten in het programma zaten. Dan ging ik alles opnieuw controleren,waarbij iedere controle uren in beslag nam omdat ik controleerde wat ik zojuist had gecontroleerd en vervolgens twijfelde of ik het wel goed had gecontroleerd. Dus ging ik later weer terug en voerde opnieuw een controle uit... en nog een keer,en nog een keer.Het was lachwekkend en zinloos.Ik wist dat wat ik deed geen enkel nut had.Toch had ik geen andere keus dan de dingen onophoudelijk te controleren.Deze zinloze handelingen beheersten mijn leven.
Ik ging zo nu en dan weer in therapie. Mijn vrouw kon mijn ziekte niet verdragen. Ze vond het een weerzinwekkende kwaal. Ik weet eigenlijk niet of ik het haar kwalijk neem, want in ernstige vorm is de ziekte inderdaad stuitend. Ik haatte mezelf om mijn ziekte en ik haatte mijn vrouw om haar onverdraagzaamheid. Maar ondanks deze haatgevoelens wist ik diep in mijn hart dat ik niets aan de ziekte kon doen en dat zij niets aan haar reactie kon doen. We hadden een paar manieren gevonden om er mee om te gaan. In de eerste plaats hield ze zich op een afstand wanneer ik een aanval had. Dat peperkte haar confrontatie met de ziekte tot het minimum, evenals mijn confrontatie met mijn gezin. Ten tweede speelde mijn therapeut een rol van essentieel belang. In plaats van met mijn vrouw kon ik met de psychiater over mijn ziekte praten. Dit nam voor mijn vrouw een groot deel van de spanning weg. Ten derde hield ik veel van de ziekte voor mijn vrouw verborgen om mezelf niet in verlegenheid te brengen en haar niet van streek te maken. Ik werd een fantastisch acteur. Terwijl ik inwendig werd verteerd door een vuur van dwanggedachten, was ik uiterlijk een en al opgewektheid. Voor mij was dit geen oplossing, maar ik denk dat het haar wel een beetje hielp. De eerste aanpak - me met rust laten tijdens een aanval - was de beste. Als er iemand in mijn buurt was, zelfs al was dat mijn vrouw, was ik alleen lichamelijk aanwezig. Mijn geest werd verteerd door pijn en door alle obsessionele gedachten dat ik niet kon communiceren. De gevolgen waren stuk voor stuk rampzalig, en dat gold zeker voor de slechte communicatie. Het was het best om me met rust te laten. Een van de verbazingwekkende aspecten van de ziekte was dat die 'pas op de plaats' kon maken als ik iets belangrijks moest doen in mijn sociale leven of voor mijn werk. Als ik bijvoorbeeld moest lesgeven, vergat ik tijdens die les de obsessie die me op dat moment had beziggehouden. Maar zodra de les was afgelopen, werd ik weer overweldigd door OCD-gedachten en -handelingen. Dit was een geluk, want het stelde me in staat om op mijn werk en bij vrienden te functioneren...zij het met de grootst mogelijke moeite. In 1983, na tien jaar therapie, ging het over het algemeen beter, maar werd ik toch nog door de ziekte geplaagd. Ik vond dat als er een emotionele oorzaak voor OCD bestond, we ons best hadden gedaan mij daarvan af te helpen. Mijn psychiater en ik bespraken verschillende vormen van medicamenteuze therapie. Valium was jarenlang gebruikt om de pijn te verzachten, maar het was een middel van slechts marginale betekenis; het gaf me een moe gevoel en kreeg er hoofdpijn van. Ik smeekte hem letterlijk om andere vormen van medicijnbehandeling in overweging te nemen. De pijn was zo hevig en de ziekte ontwrichte mijn leven zo drastisch, dat ik bereid was iedere mogelijke oplossing te proberen. Ik was wanhopig en uitgeput. Hij schreef me een middel voor dat imipramine heette (de handelsnaam is Tofranil) en dat al vele jaren werd gebruikt voor depressies. Ik begon met een uiterst lage dosis -25 mg- omdat ik in het verleden hartklachten heb gehad. Deze dosis werd langzaam opgevoerd tot ik, na vier maanden, op 200 mg stond. In de vijfde maand van deze medicijnbehandeling was de ziekte plotseling verdwenen. Ik kreeg nog wel OCD-gedachten, maar die vergat ik bijna onmiddelijk weer! De afschuwelijke ziekte vluchtte naar de uithoeken van mijn geest. Aanvankelijk vertrouwde ik het niet. Ik dacht dat het wellicht een placeboeffect was of dat er opnieuw een remissie (nog steeds een mogelijkheid) was opgetreden. Maar de verbetering zette door. Voordat ik de behandeling met imipramine begon, had mijn gedrag een manisch aspect, met extreme hoogtepunten en dieptepunten in mijn stemmingen (meestal tijdens een OCD-aanval). Gedurende zo'n hoogtepunt was ik uiterst kwetsbaar voor een aanval. Het leek alsof imipramine het verschil in deze gemoedstoestanden tot een minimum terugbracht. Een groot deel van de kwetsbaarheid verdween met de hoogtepunten. Imipramine leek alle catastrofale gedachten een halt toe te roepen. Problemen werden hanteerbaar en waren niet langer onoverkomelijk. Het middel leek mijn waarnemingsvermogen weer normaal te maken. Voor het eerst in meer dan tien jaar kon ik de wereld, met haar risico's en mogelijke kwellingen, weer in perspectief zien. De aanvallen traden niet meer dagelijks ieder uur op, maar namen af tot één keer per week. Deze toestand duurde ongeveer vier maanden. Daarna werden de aanvallen nog minder frequent: één keer per maand. Tegenwoordig doen ze zich één keer per twee of drie maanden voor. Ik zal nog steeds dwanggedachten krijgen, maar die gaan niet meer gepaard met pijn. Hoe ik me voel? Geweldig! Ik wil niet melodramatisch doen, maar ik heb een nieuw leven gekregen. Het belangrijkst was dat de pijn, die meedogenloze en intense pijn, is verdwenen. Op het moment sta ik op een onderhoudsdosis imipramine van 100 mg. Ik had nooit gedacht dat er nog eens een einde aan mijn OCD zou komen, maar ik heb er nu al twee jaar geen last meer van. Ik bid iedere dag dat de pijn niet zal terugkomen, en tot nu toe zijn mijn gebeden verhoord. IK heb echter een nieuw probleem: terwijl ik begon te genezen, kreeg mijn vierjarige zoon OCD.