Uit: 'De Vrouw die haar meubels met suiker bestrooide'
Rituelen en besmetting: Zach en zijn ouders
Ik ontmoette Zach negen jaar oud, en zijn ouders nadat we tot het besef waren gekomen dat vaders en zoons vaak tobben met hetzelfde OCD-probleem (we hebben ook andere combinaties van OCD gezien: bij moeders en zoons, vaders en dochters, en zelfs bij broers van wie beide ouders gezond waren. Maar de combinatie vader-zoon kwam het meest voor).
Zachs eerste dag op onze aldeling was aangrijpend. Zijn vader vertelde Zach voor het eerst dat hij op zevenjarige leeftijd ook was begonnen met dwangmatige rituele handelingen en dat hij zijn leven lang tegen had gevochten. Hierdoor kreeg Zach zijn eerste echte bondgenoot in de strijd tegen zijn rituelen.
Een paar maanden later heb ik Zach en zijn familie gevraagd of ze ieder hun eigen verhaal wilden opschrijven.
Zachs verhaal (uit zijn mond opgetekend)
Ik ben nu negen jaar. Toen ik zes was, begon ik dingen op te pakken met mijn ellebogen omdat ik dacht dat ik vieze handen zou krijgen als ik ze met mijn handen oppakte. Toen ik zeven was, waste ik mijn handen wel vijfendertig keer per dag. In de twee jaar daarna werd mijn angst om vieze handen te krijgen nog groter. Tot ik medicijnen kreeg, werd mijn leven verpest door mijn dwanghandelingen.
Op mijn zesde begon ik allerlei rare dingen te doen als ik speeksel doorslikte. Ik moest dan hurken en de grond aanraken. Er mocht geen speeksel op de grond komen, want dan moest ik het met mijn hand wegvegen. Later moest ik met mijn ogen knipperen als ik slikte. Het ergerde me dat ik die dwanghandelingen niet kon tegengaan. Telkens wanneer ik slikte moest ik iets doen. Ik moest bijvoorbeeld een tijdje mijn schouders aanraken met mijn kin. Ik weet niet waarom. Ik had er geen reden voor. Ik was bang. Het was alleen zo akelig als ik het niet deed. Als ik probeerde die dingen niet te doen, Iukte dat toch niet. Ik moest ze doen, ook al deed ik nog zo mijn best me ertegen te verzetten.
Ik probeerde het aan mijn moeder te vertellen. Ze zei: 'Ja, je doet soms rare dingen. Waarom?' Ik vertelde haar dat ik het moest doen. 'Ik wil geen speeksel verliezen,' zel ik. Ze antwoordde: 'Misschien wil jeer later meer over vertellen.' Ik wil geen speeksel verliezen en heb daar geen goede reden voor. Ik wil het gewoon niet. Ik durfde het aan niemand te vertellen. De mensen zouden denken dat ik gek was, of zoiets. Ik wilde het ook niet aan dr. Kaufman vertellen. Ik was zenuwachtig toen ik voor het eerst naar hem toe ging. Ik wilde er nou eenmaal niet over praten. Ik vond het vervelend om erover te praten. Ik schaamde me. Ik wilde niet dat iemand het wist. Alleen ik mocht het weten, niemand anders.
Het verpestte mijn leven en nam al mijn tijd in beslag. Ik kon niets anders meer doen. Alles bij elkaar was ik er misschien anderhalf uur, soms drie uur, per dag mee bezig.
Ik had ook problemen als ik naar de W.C. ging. Dan moest ik een stukje toiletpapier pakken en dat in hele kleine snippertjes scheuren die niet groter dan een millimeter mochten zijn. Pas als ze allemaal even klein waren, spoelde ik ze door.
Ik moest allerlei dingen met mijn vingers en mijn mond doen. Als ik speeksel doorslikte, moest ik met al mijn vingers een paar keer mijn lippen aanraken. Slikken was belangrijk, maar het ging toch in de eerste plaats om mijn ellebogen. Ik was bang om mijn handen vuil te maken. Mijn verstand zei: 'Was je handen. Ze zijn vies.' Ze voelden ook vies. Het is logisch dat ik ze moest wassen als ik naar de W.C. was geweest, maar mijn handen voelden altijd vies. Ik vergat alles meestal weer. Als ik een bepaalde handeling veranderde, vergat ik die volkomen. Wel weet ik nog dat ik de toppen van mijn duimen tegen elkaar moest leggen waar het water uit de kraan stroomde. Een aantal andere dingen kan ik me niet meer herinneren. Ik kon de kraan niet met mijn handen dichtdraaien. Ik kwam vaak te laat op school.
Het medicijn werkte. Ik hoefde al die dingen niet meer te doen. Eerst verdween het ene, toen het volgende en toen weer het volgende. Mijn moeder zegt dat ik vrolijker ben. Ik heb veel meer tijd om van alles te doen. Ik zal altijd een hekel aan mijn zusje houden, maar nu niet meer zo erg als vroeger. Ik haat haar veel minder. Misschien komt dat door het medicijn.
Ik wist vanaf het begin dat er iets mis was. Ik dacht zoiets als: morgen zal het wel verdwijnen. Het gaat heus wel weer over, morgen of overmorgen of wanneer dan ook. Maar het ging niet weg. Ik gaf de hoop op en bleef al die dingen doen. Ik kon er geen goede verklaring voor geven. Ik verbeeldde me dat God mij had uitgekozen omdat hij me een aantal talenten had gegeven en me daarorn ook een aantal problemen moest geven. Dus gaf Hij me dat. Ik kan heel goed leren, ik ben goed in sport en ik kan heel hard lopen, ik ben sterk en ik ben volmaakt. Nou ja, bijna volmaakt, zo volmaakt als je maar kunt zijn. Ik kan ook moeilijk naar de W.C., en ik ben zeven keer geopereerd en ik heb huidvlekken. (Zach is geopereerd wegens aangeboren ingewandsproblemen die geen verband houden met zijn OCD en hij heeft pigmentvlekken, red.) Iedereen heeft wel een paar van die vlekken op zijn huid, maar ik heb er alleen meer dan de meeste andere mensen. Ik ken een jongen die twintig keer is geopereerd. Mijn moeder zegt dat hij nu weer helemaal in orde is. ledereen heeft wel een of ander probleem: de een stottert en de ander is verlamd. Ik heb een heleboel goede dingen. Ik heb negen jaar lang meer opwindends beleeft dan de meeste anderen. Ik zou het best fijn vinden om niet al die vlekken en dat darmprobleem te hebben, maar toch ben ik tevreden met mezelf. Ik zou niemand anders willen zijn.