Terug naar index

Vorige deel hoofdstuk
Volgende deel hoofdstuk

Uit: 'De Vrouw die haar meubels met suiker bestrooide'

Bekentenissen over obsessies (geschreven door Zachs vader)

Ik heet Sam. Ik ben een uiterst succesvol zakenman in een grote stad, en houd me op hoog niveau bezig met belangrijke kwesties waarin grote geldbedragen omgaan en de concurrentie enorm is. Ik heb een knappe, liefhebbende, begrijpende vrouw en drie fantastische, intelligente kinderen. Het gaat ons goed.
Ik ben achtendertig jaar oud. Ik slik 300 mg clomipramine per dag. Het helpt. Het neemt iets weg van de paniekgevoelens die de impulsen oproepen. Het heipt me te vechten. Dat geldt ook voor mijn woede. Soms is mijn woede over mijn rituele handelingen heel groot. Dan bedenk ik dat sommige mensen blind zijn, andere doof en weer andere verlamd. Ik verzet me tegen gevoelens van zelfmedelijden. Ik vecht. En probeer te begrijpen. Ik ben een overlever. Als U dat niet gelooft, tel dan maar eens hoe vaak ik hier refereer aan de dood. Ik heb dit geschreven, ondanks mijn angsten en zorgen. Ze krijgen mij er niet onder. Ik zal vechten. Ik overleef alles, en daar ben ik trots op. Mijn secretaresse weet het niet, evenmin als mijn compagnons. Maar mijn dagen zijn niet zoals die van de anderen op mijn kantoor, anderen die eveneens transacties van vele miljoenen dollars moeten afsluiten. Zij doen gewoon hun werk, terwijl ik twee banen heb: mijn beroep en mijn strijd tegen obsessies. Probeer mijn gedachten te volgen terwijl ik me voorbereid op die strijd.
Als U wilt weten hoe het is, probeer dan alleen maar eens een tijdje niet te denken aan roze olifanten. Probeer aan iets anders te denken, onverschillig wat. Aan iets wat de onrust zal temperen, wellicht iedere gedachte aan roze olifanten zal uitbannen. Stop uw gedachten aan roze olifanten weg in een klein hoekje van uw geest. Omring ze met andere gedachten. Concentreer U - intens.
Doe nu, op hetzelfde moment iets anders. Lees een boek, maak een autoritje, ga fietsen. Concentreer U op die twee dingen tegelijk. 0, en als een willekeurige, onaangename gedachte aan een roze olifant - of wellicht aan de dood, hoewel je nooit zeker weet welke gedachte zich zal opdringen - door uw bewustzijn schiet, verdring die dan. Verdrijf Dracula door een kruis op te houden. Maak er een ritueel van. Denk vlug aan iets plezierigs. Denk aan goede momenten. Herhaal in gedachten de mantra's die U zichzelf telkens weer voorhoudt: leven. Het leven is goed. Concentreer U. Pas op! Blijf fietsen, anders valt U. Het leven is goed. Zeg het, telkens en telkens weer. Zeg het in uw gedachten tot het goed tot U doordringt. Leven. Het leven is goed. Let op uw omgeving. U nadert een kruispunt. Leven. Het leven is goed. Ik leef. Fiets harder. Het licht staat op rood en het is nog niet goed tot U doorgedrongen. Leven. Het leven is goed. Leven, het leven is goed! Het kruispunt. Rood licht, bijna. Leven, het leven is goed. Zeg het telkens opnieuw. Hebbes! Stop! Ik heb het gered en voel me nu goed, tot het over een paar seconden weer opnieuw begint. Begrijpt u wat ik bedoel? En het wordt nog veel erger.
Ik heb eens een jongleur gezien die een stuk of twaalf schoteltjes liet ronddraaien op dunne stokken. Hij begon met eentje, waarna er steeds meer bij kwamen. Hij rende van de ene stok naar de andere om ervoor te zorgen dat alle schoteltjes bleven draaien en er geen een op de grond viel. Hij werd daar ongetwijfeld heel moe van. Wel, het bestrijden van mijn obsessies vermoeide me op een soortgelijke manier. Ik ben heel waakzaam wanneer ik een boek of een krant of een tijdschrift lees.
Ik weet nooit welke verschrikkelijke dingen me te wachten staan bij de volgende bladzijde, het volgende hoofdstuk of de volgende zin. Ik lees langzaam en concentreer me op de mantra.
Verdomme! 'Dood.' Daar is dat vreselijke woord. Goed, ga het maar neutraliseren. Wees voorzichtig. Lees dat stuk nog maar eens. Probeer te onthouden waar de woorden staan. Doorlezen kan toch niet, want wat verderop staat is de toekomst en je wilt de toekomst niet bezoedelen met ogen die zojuist een woord met zo'n vreselijke consequentie hebben gezien. Lees opnieuw wat je al hebt gelezen. Ga terug naar het verleden. Het verleden kun je toch niet schaden (in je hart geloof je dat niet) - doe er je voordeel mee. Zou iemand op mijn kantoor dit geloven als hij het zag? Natuurlijk niet.
Heb ik het woord 'dood' gezien? Ja. Goed, voorzichtig. Hier moet ergens 'leven' staan. Ga nog meer bladzijden terug. Waar heb ik bet gezien? 'Leven'... waar ben je? Daar staat 'levend'. Nee, dat is niet voldoende. Het zou wel opwegen tegen 'stervend', maar niet tegen 'dood'. 'Dood' is het afschuwelijkste woord. Het kan alleen maar verzacht worden met 'leven'. En als 'dood' was geschreven in hoofdletters, moet je ook 'leven' in hoofdletters zoeken of anders twee of drie keer het woord 'leven' vinden om voldoende compensatie te hebben.
Opgelet... Nee! Verdraaid! 'Gestorven.' Nu moet ik eerst 'levend' of 'in leven' of 'leeft' of een soortgelijk woord vinden om 'gestorven' te neutraliseren, voordat ik kan terugkeren naar het oorspronkelijke probleem. En 'geleefd' dan? Het is niet veel beter dan 'gestorven'. 'Geleefd' houdt in dat nu dood is wat eerst levend was. Nee, het moet een van de andere woorden zijn. Barst! 'Overleden'. Nu moet ik dat neutraliseren voordat ik 'gestorven' kan neutraliseren, en dan moet ik 'gestorven' neutraliseren voordat ik 'dood' kan neutraliseren.
Ik wil het uitschreeuwen van woede en frustratie. Dit is belachelijk. Onzinnig! Waarom doe ik dit? Blijf kalm! Werk de tekst door. Oplettend. Langzaam. Daar: 'in leven'. En daar: 'leeft'. Ziezo, nu nog maar één. Verdomme! 'Lijk'. Zo kan ik niet doorgaan! Waarom doe ik dit? Wacht... 'Leven.' Oke, dat zal ik gebruiken voor 'lijk'. Nu nog maar één keer 'leven'. Voor alle zekerheid.
Nee! Ik kan niet geloven dat hij me om een velletje papier vroeg, dat hij me stoorde op het moment dat het einde van mijn speurtocht in zicht was. Ik hoefde nog maar één woord te zoeken. Nu moet ik weer helemaal opnieuw beginnen. Blijf kalm. Hij weet niet wat je aan het doen bent. Laat niets merken. Verraad jezelf niet. Waarom kan ik niet normaal zijn? Al die andere mensen hoeven deze dingen niet te doen. Ik ben moe. Ik houd dit niet vol. Hoe was de volgorde waarin ik de woorden heb gezien? Misschien stop ik er gewoon mee. Maar ik moet het doen. Probeer te voorkomen dat ik mijn bezoedelde blik opsla voordat ik de juiste woorden heb gevonden. Hoe laat is het?
Verdraaid! Nu heb ik op de klok gekeken en de tijd, de toekomst bezoedeld. Nu moet ik dat weer neutraliseren met iets anders. Maar met wat? Het verleden. Dat is het. Zoek een kalender of een boek. Hier, dit oude studieboek. Voorin hoort een datum van het copyright te staan. Ja, een jaartal lang voordat ik werd geboren. Dat kan ik dus gebruiken om mezelf te verlossen van de bezoedeling die ik heb veroorzaakt door op de klok te kijken terwijl ik zelf buiten schot blijf. Ik staar naar het jaartal en bereid me voor om het met mijn ogen te bestoken. Wacht! Wat is het totaal van de cijfers in het jaartal? Negentien. Nee, ik kan het niet geloven. De zoon van mijn vroegere secretaresse was negentien toen hij bij een auto-ongeluk om het leven kwam en zij me die zelfde nacht om twee uur volkomen hysterisch opbelde. Zet het van je af. Denk aan mantra's. Nee, zoek een ander jaartal, eentje dat een som heeft van achttien, van chai, van 'leven' in het Hebreeuws. Ja, hier ligt een ander boek, met een ander jaartal... achttien. Opluchting. Kijk nu niet op de kiok. Kijk niet op...
Ik denk dat u het nu wel zo'n beetje begrijpt.
'Hou er toch mee op,' zei mijn moeder altijd op overredende toon. 'De mensen kijken naar je. Ze vragen zich afwaarom je die dingen doet.' Welke dingen? Ik doe niets. Laat me toch met rust, luidde mijn antwoord dan. Maar ik wist dat ze naar me keken, over me kletsten, me kleineerden. En ik voelde me een sul. Ik weet dat ik een vreemde indruk maakte. Ik ben zwak en dat kan ik niet uitstaan. Ik kan er niet mee ophouden en word voortdu rend geplaagd door een gevoel van onbehagen. Misschien ben ik gek. Nee, dat is niet waarschijnlijk. Daarvoor ben ik te rationeel. Hoe verwrongen dit alles ook is, het zit even logisch in elkaar als een religie.
Ik kan geen troost putten uit een geloof. Mijn god is streng en veeleisend, netzomin geneigd me te vergeven als ik dat zelf ben. Mijn goden zijn hard en eisen onafgebroken een volledige boetedoening. Gedraag je dus, kerel!
Religie krijgt bij mij geen kans. Ik heb mijn eigen magie. Die is krachtig. Die is veeleisend. Het is mijn plicht te doen wat gedaan moet worden en trouw de rituelen uit te voeren. Ik moet de mensen van wie ik houd in bescherming nemen. Ik moet de niet-aflatende duivelse bezoedeling, die alom aanwezig is, afweren.
Het is zo primitief, religie. Zo kinderachtig. Dat beoefen ik op grote schaal. Offers brengen. Indruk maken op mensen en ze vervolgens de rug toekeren. Dat meisje op de middelbare school heeft nooit begrepen waarom ik geen afspraakje met haar maakte. Ik had zelfs mijn vriend gevraagd haar te polsen, uit te vissen of ze belangstelling had. Dat had ze. Hij had haar gezegd dat ik een afspraakje met haar wilde maken, dat ik ernaar verlangde. Dat deed ik ook. Ik verheugde me erop. 0, dat vooruitzicht op iets aangenaams! Het is riskant. Ik begeef me op glad ijs. Ik kon de overige rituelen nauwelijks afwerken. Je mag het lot niet tarten! Zij betekent plezier.
Een aantrekkelijk meisje. Alleen die gedachte dwingt me al tot een ritueel -een kleintje maar, enkel en alleen om even van dat gevoel af te zijn en mijn fantasie de vrije loop te kunnen laten. Een kleine confrontatie, misschien. Een kleine daad van verzet.
Oke, ik zal vandaag niet naar de radio luisteren. Nee, dat is niet genoeg. Goed, ik zal vandaag of morgen niet naar de radio luisteren. Nog niet voldoende. Het moet sterker zijn. Ik zal vanaf vandaag een week lang niet luisteren. Niet goed genoeg. Goed dan, ik zal een hele maand niet luisteren. Hoe moet ik dat onthouden? Ik vergeet het vast. Voordat de maand is verstreken zal ik in een verstrooide bui de radio aanzetten. En dan zit ik pas goed in de problemen! Ik zal ongetwijfeld ergens komen waar een radio aanstaat. Zal dat het ritueel niet doorbreken? Nee, het moet een bewuste handeling van mijn kant zijn. Er moet opzet in het spel zijn. Als ik een winkel zou binnenlopen waar een radio aanstond, zou dat niet actief maar passief zijn. Toch moest ik dat ritueel een hele maand volhouden, en dat was lang!
Meestal is er niemand die op me let en niemand die weet wat ik doormaak. Niemand kan het weten. Dc anderen zijn allemaal normaal. Meestal heb ik het gevoel dat ik de enige ben die op deze manier verdoemd is. Maar ik kan er wel iets aan doen. Ik hoefde gevoelens alleen maar te onderdrukken om verandering in de rituelen aan te brengen.
Ik besluit mezelf een fietsverbod op te leggen. Nee, ik realiseer me dat het winter is. Dat is dus niet voldoende. In de winter kan er toch al niet gefietst worden.
Televisie. Ik neem me voor vandaag niet naar de televisie te kijken. Nee, dat geldt alleen voor 's avonds, wanneer ik thuis ben en alle gordijnen gesloten zijn om te voorkomen dat ik per ongeluk een televisie zie door de ramen van de buren, en wanneer ik op het punt sta naar bed te gaan en de televisie uit staat en ik er zeker van kan zijn dat het toestel niet meer wordt aangezet. Als de klok dan twaalf uur slaat, is de dag voorbij en zal het ritueel geslaagd zijn. Dan zal ik enkele ogcnblikken rust hebben, tot het opnieuw begint... Het risico is te groot dat ik overdag toevallig een televisie zie die aanstaat. Lift. Ik zal geen gebruik maken van de lift. Dat maakt het eenvoudiger. Het zorgt in zekere zin voor plezier. Ik mag van mezelf de lift niet gebruiken. Ik zal de zeven trappen naar mijn flat op- en aflopen. Toch moet er iets zijn wat nog gemakkelijker is. Roltrappen? Twijfelachtig. Komt te veel overeen met liften. Het verschil is niet groot genoeg om er verboden gebied van te maken. Het moet vergelijkbaar zijn met liften, dezelfde functie hebben. Een beleids beslissing. Ziet u? Zelfs nu ik er eentje had die het goed zou doen, maak ik er een puinhoop van. Ik ruineerde de doeltreffendheid van het verbod om gebruik te maken van liften. Ik heb het ritueel met twijfels verknald. Het 'voelt' niet langer goed. En dat alles alleen omdat ik lui ben. Verdomme!
Goed, ik zal de auto laten staan. Maar ik moet straks nog naar de zaak. De mogelijkheden om me dingen te ontzeggen raken uitgeput. Misschien dat ik dan toch maar het liftverbod gebruik. Nee, te laat. Als je een verbod eenmaal hebt afgewezen, komt het bij het volgende ritueel pas weer beschikbaar. Paniek. Mijn mogelijkheden raken uitgeput. Rustig. Concentreer je. Er moeten nog meer mogelijkheden zijn.
Gezelschapsspelletjes, misschien. Houd dat in gedachten. Speeldozen. Zijn een beetje te vergelijken met grammofoons en bandrecorders, maar het verschil is groot genoeg om kans op succes te hebben. Houd dat ook maar in gedachten. Hoe ben ik hier eigenlijk op terechtgekomen? Ik heb immers geen woord als 'dood' gezien of cen soortgelijk woord gehoord dat deze reactie teweeg kon brengen. In dat laatste geval had ik er het woord 'leven' tegenover moeten stellen, bij voorkeur uitgesproken tegenover degene die het woord 'dood' had geuit. Maar het enige wat me overkwam was dat gevoel, dat onbehagen, die bijna lichamelijke behoefte om de dingen glad te strij ken, ze onder controle te houden. Wat is er nog meer? Denk na! De dierentuin! Maar zou ik daar vandaag wel terechtkunnen? Is hij nog open? Het zou niet meevallen, maar... Ja, het was mogelijk. Ja, gebruik dat voorlopig maar. En stel dan later op de avond, tegen middernacht, voor alle zekerheid het leesverbod in. Ik sluit mijn ogen zodat ik onmogelijk kan lezen en verbied mezelf dan om de rest van de dag nog iets te lezen. Ik houd mijn ogen gesloten tot het volgens mij minstens een kwartier na middernacht moet zijn. Ik weet immers niet of onze klokken soms een paar minuten vóór lopen. De rituelen zijn genadeloos. Ze geven me geen enkele adempauze. Als iets op meer dan één manier bekeken kan worden, dwingen de rituelen me tot de moeilijkste manier. De goden - de rituelen - eisen strikte gehoorzaamheid. Als het me niet helemaal lukt, moet ik het overdoen.
Zelfs prettige gevoelens veroorzaken problemen. Ze verstoren de zorgvuldig uitgebalanceerde status quo. Ik begin mijn innerlijk te 'onderzoeken' om te zien of het me vrijstaat me te laten gaan. Het zou mogelijk zijn dat ik eerst de goden tevreden moet stellen. Per slot van rekening kan ik niet weten of al mijn ritualistische boetedoeningen wel zijn geaccepteerd. Ik zou eigenlijk uit voorzorg alvast een aantal te verwachten rituelen moeten uitvoeren om de weg te effenen. Onbestemd. Meedogenloos. Ongevoelig. Kil. Hard. Ondoordringbaar. Het is de enige manier om mijn evenwicht te bewaren. Ik probeer niets te voelen. Niet te goed, niet te slecht. Macht over de situatie. Als ik mezelf in bedwang heb, hoef ik niet zo veel rituelen uit te voeren. Gevoelloosheid is het doel.

Ik lijd aan OCD. Ik kan me niet herinneren er ooit vrij van te zijn geweest. Een leven zonder obsessief-compulsief gedrag kan ik me niet voorstellen. Het hoort evenzeer bij mij als mijn blauwe ogen. Het is alsof ik ermee ben geboren en niet beter weet, zoals de doofgeboren baby die nooit geluiden heeft gehoord.
Het is altijd bij me, op ieder moment van de dag en van de nacht. Ik voer rituelen uit in mijn dromen. De ziekte is mijn meester.
Ontsnapping is niet mogelijk. Ik ben zowel de wetgevende als de rechterlijke en uitvoerende macht. Ik 'maak' de regels, ik interpreteer ze en ik voer ze uit: nauwgezet, genadeloos, hardnekkig, onbarmhartig. Mijn vroegste herinneringen aan obsessiefcompulsief gedrag dateren uit de tijd dat ik zeven was. Ik speelde met een stel kinderen voor mijn huis. We deden een variatie op tikkertje. We noemden het 'luizen'. Een van ons 'had luizen' en de anderen probeerden te voorkomen dat ze getikt en dus met 'luizen' besmet werden. Ik weet nog hoe ik me voelde. Het was meer dan zomaar een spelletje. Voor mij was het een kwestie van radeloosheid. Ik mocht absoluut niet getikt worden, kon niet toestaan dat de besmetting op mij zou overgaan. Ik rende dan ook hard weg en deed mijn uiterste best te ontsnappen.
Mijn familie noemde het 'bijgeloof. Ik weet niet wie het woord bedacht, mijn moeder of ik. 'Houd er toch mee op,' zei ze altijd. En dan wilde ik dat ook. Ik hoorde de droefheid in haar stem wanneer ze me beval, me smeekte ermee te stoppen. 'Houd er toch mee op...'
Druggebruik begint met een keuze. Het is misschien niet gemakkelijker om ermee te stoppen dan met obsessief-compulsiefgedrag, maar de druggebruiker kon zijn vrije wil laten gelden. Bij mij was dat niet het geval. Ik deed dingen omdat ik 'moest'. Ik begreep het niet, en doe dat nog steeds niet... terwijl het nu eenendertig jaar later is.
Ik herinner me dat ik als zevenjarige dacht dat deze dingen wel zouden ophouden tegen de tijd dat ik vijftien werd, wat toen onvoorstelbaar ver weg leek. Dan zou ik eroverheen zijn gegroeid.
Ik weet ook nog dat mijn moeder me vertelde over haar oudste broer, die soortgelijke dingen had gedaan en er uiteindelijk 'overheen groeide'. Hoe ze dat wist, weet ik niet. Ze dacht waarschijnlijk dat het bij mij ook zo zou gebeuren. Van tijd tot tijd dacht ik aan haar broer. Vooral toen, tot mijn ontzetting, mijn zoon ook obsessief-compulsief gedrag begon te vertonen. Ik herkende het. Ik begreep het. En juist ìk reageerde even gefrustreerd en boos op zijn gedrag als mijn vader vermoedelijk op het mijne. Ik wilde dat hij ermee ophield.
De rituelen hebben altijd een fascinerende logica bezeten. Door middel van mijn rituele handelingen probeerde ik onveranderlijk een bepaald resultaat te bereiken of te vermijden. Dc zogenaamde kern zou dan veranderen. Maar het gedrag hield hardnekkig stand: bescherm me tegen besmetting. Behoed mijn studieresultaten, mijn sportprestaties, mijn mannelijkheid, mijn leven, mijn succes, de mensen van wie ik houd. Met een verandering van mijn concentratiepunt, mijn kern, wijzigden ook de prikkels van de rituelen zich. Het kon bijvoorbeeld gebeuren dat mijn behoefte zich concentreerde op zelfbescherming tegen domme mensen. Ik kon dan zelfs niet kijken naar bepaalde mensen - naar lieden die waren gezakt voor een tentamen of die slechte studieresultaten behaalden. Dan zette ik in de klas een boek rechtop op mijn lessenaar en legde mijn hoofd achter het boek op mijn arm om niet onwillekeurig een glimp op te vangen van zo'n paria. ledere blik die ik op zo iemand wierp veroorzaakte namelijk een nieuwe prikkel, een nieuwe uitnodiging om op bevel een aantal rituelen uit te voeren. Was ik met een bepaald ritueel klaar en viel mijn blik op een paria, dan moest ik weer helemaal opnieuw beginnen. Telkens en telkens weer. Het was doodvermoeiend.
Een achtjarig nichtje van me stierf toen ik zeven was. Het gebeurde plotseling. Het was beangstigend. De details werden altijd verborgen gehouden en ik ken ze nog steeds niet. In mijn hart heb ik er nooit te veel over willen weten. Het was traumatisch.
Achteraf beschouwd viel het samen met mijn eerste rituele handelingen, voor zover ik me die kan herinneren. Ik weet niet of er een soort van symbiose bestond tussen de rituelen en de dood van mijn nichtje, maar het zou me niet verbazen. Ik zag ertegenop om naar het huis van mijn nichtje te gaan: de lege slaapkamer, de bedrukte sfeer, de onuitgesproken woorden. Het huis leek eeuwenoud, alsof het in een doodskleed was gehuld. Ik wilde daar niets aanraken. Ik wilde het liefst weer weggaan. Mijn aanwezigheid daar maakte me van streek. Dc gedachte eraan maakte me van streek.
Dc naam van mijn nichtje werd een vloek. Daardoor haatte ik een klasgenote die dezelfde naam droeg. Ik kon niet naar haar kijken, haar niet aanraken en niet aan haar denken zonder haar te associëren met mijn nichtje.
In mijn studietijd werkte ik part-time bij een klein bedrijf en de vrouw van de directeur werd verliefd op me. Ik was in die periode onzeker en kwetsbaar, maar ik zou waarschijnlijk ook niet op haar avances zijn ingegaan als haar naam anders was geweest dan die van mijn nichtje. Het feit dat ze dezelfde naam droeg gaf de doorslag.
Kortstondig plezier woog niet op tegen de afschuw die ik daarna zou hebben ervaren. Ritualistisch gezien zou het de vereniging van seks en dood zijn geweest. Voor altijd. Vermijden dus. Het was beter me die ervaring te ontzeggen dan later te worden gekweld door de verschrikkelijke gevolgen.
Ik wist nooit met volstrekte zekerheid wat de gevolgen zouden zijn: dood, eeuwige verdoemenis, stommiteit, mislukking, fouten, besmetting. Ik was niet van plan het lot te tarten door dat uit te zoeken.
Een benauwend aspect van mijn situatie als de grote ritualist was mijn overtuiging dat ik de enige mens op aarde was die leed, ooit had geleden en ooit zou lijden zoals ik. Ik kon met niemand praten over mijn rituelen of mijn angsten. Ik was bang en voelde me gekweld. Dat ik mijn rituelen geen halt kon toeroepen maakte dat ik me nog machtelozer, nog bespottelijker, nog weerzinwekkender voelde.
Ik herinner me dat ik eens een goede vriend van me dingen zag doen die voor mijn ritueel ingestelde geest opvallend veel gelijkenissen vertoonden met mijn rituelen. Was het mogelijk? Een wapenbroeder? Ik kon het hem niet vragen. Ik ging liever dood dan dat ik mijn geheim zou onthullen. Maar de vraag achtervolgt me nog steeds.
Ik geloof trouwens niet dat het voor mij veel zou hebben uitgemaakt, hoewel ik moet toegeven dat het bevrijdend werkte toen ik onlangs vernam dat welIicht twee procent van de bevolking aan OCD lijdt. Plotseling was ik niet meer de enige krankzinnige op deze wereld. Aan de andere kant trof deze wet'enschap me evenzeer als het bericht dat mijn ex-verloofde en mijn vroegere boezemvriend hun verloving hadden verbroken; het was rechtvaardiging, maar het schonk geen vreugde. Wat zijn het, deze rituelen? Soms stel ik me voor dat ze zijn als een virus, een vreemde indringer die gewoon moet worden verwijderd. Een enkele keer verbeeldde ik me, eerder verbijsterd dan bedroefd, dat ik een geprogrammeerde verkenner uit de ruimte was. Hoe was het anders te verklaren dat ik niet in staat was me te verzetten tegen de dwanghandelingen die ook in mijn ogen zinloos waren?
Wat zijn deze rituelen? Mijn chemische huishouding, denk ik. Waarom werkt die zo? Door de genetische opbouw, vermoed ik. Veroorzaakte het uitvoeren van rituelen de zelfhaat? Of was de zelfhaat verantwoordelijk voor de rituelen? Waarom houd ik me met zoveel cognitieve rituelen bezig terwijl anderen hun handen wassen? Wat kun je met het wassen van je handen bereiken? Als ik het woord 'dood' zie, is het voor mij uiterst belangrijk het te ontkrachten door een blik op het woord 'leven' te werpen. Proberen anderen zelfhaat van zich af te spoelen? Ik heb een theorie over de embryonale fase. Mijn theorie komt tot de serieuze veronderstelling, gebaseerd op de vroegste herinneringen. Ik kan me niet veel gebeurtenissen herinneren, slechts flarden hier en daar, impressies die me soms bekend voorkomen.
Mijn theorie is dat ik, als kind, weinig troost of verlichting kon vinden voor mijn angsten. Ik heb er grote bezwaren tegen om mijn ouders de schuld in de schoenen te schuiven. Van mijn eerste levensjaren herinner ik me niets.
Het druist in tegen mijn gevoelens van rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid om mijn problemen bij anderen voor de deur te leggen, als een baby die niet gewenst is, Dan houd ik mezelf buiten schot. Ik zal zelf de verantwoordelijkheid dragen.
Misschien was er bij ons thuis iemand die te streng optrad. Misschien hadden mijn ouders zelf grote zorgen en waren ze daardoor niet in staat, of hadden ze geen zin, om zich bezig te houden met de angsten van een kieme jongen. Misschien werd ik geconfronteerd met strenge blikken of kreeg ik de schuld van tegenslagen. Misschien had ik het gevoel dat ik oneerlijk werd behandeld. Misschien vond ik dat ik geen steun kon vinden bij anderen. Misschien was ik chemisch-genetisch niet in staat steun en troost te ontvangen. Misschien werd ik heel bang. Maar hoe kan een kleine jongen zelf met zijn angsten leren omgaan? Ja... hoe? Misschien heb ik geprobeerd de dingen te ordenen. Misschien heb ik me ten einde raad en als een laatste redmiddel, ervan overtuigd dat alles een bepaalde ordening heeft. Maar dat is belachelijk. Zo'n rangschikking bestaat niet. O, maar dat moet. Dan klopt alles. Het is logisch. De logica ervan is prachtig. Het is eenvoudig een kwestie van het blootleggen van de rangorde. Om die te kunnen doorgronden, hoef je alleen maar de regels te leren. Er is veel vertrouwen voor nodig, maar ik was toen ook maar een heel bang jongetje.
Dc regels... Wat zijn de regels? Heel simpel: bestrijd kwaad met goed. Neutraliseer. Niemand zal je helpen. Je moet het zelf doen. Anderen realiseren zich misschien niet eens dat het gevaar bestaat. Wees goed. En het goede moet goed genoeg zijn om het kwade te neutraliseren, want ik sta alleen tegenover gruwelijke krachten. Mijn inspanningen moeten krachtig genoeg zijn om te kunnen zegevieren. Mijn gedrag moet grenzen aan almacht.
Erfelijkheid. Aanleg. Activeer de juiste eigenschappen. Angst. Rangorde. Rituele handelingen. Doe krampachtig je best! De rituelen moeten begrijpelijk zijn. Ze moeten sterk zijn. Sterk zijn betekent dat ze vaak gecompliceerd, eentonig en veeleisend zijn. Hoe groter het gevaar, des te intenser de vereiste heilzame inspanningen. Niemand heeft gezegd dat dit gemakkelijk zou zijn. Wees sterk. Vecht. Er rust een enorme verantwoordelijkheid op je schouders, Wat een kracht! Duld geen zwakheid. Als je zwak bent, zullen de kwade machten zegevieren. Bied weerstand. Vecht. Overleef.
Kracht. Mijn magie is sterk, moet sterk zijn. Kijk toch eens waartegen die moet opboksen. Ik moet op mijn hoede zijn. Altijd.

Sam is een van de uiterst succesvolle mannen met OCD die ik heb ontmoet. Ik heb bankdirecteuren, een Congreslid, rechters en bedrijfsjuristen gezien (evenals heel veel eenvoudigere mensen), allen met verschillende vormen van deze ziekte. Verbazingwekkend genoeg blijkt een soort van 'dubbele boekhouding' deze patietenten in staat te stellen om nagenoeg gelijktijdig efficient, zelfs briljant, te functioneren. Alleen bij uitzonderlijk ernstige ziektegevallen valt de rest van het leven stil.
Sam heeft een bijzondere vorm van OCD, waarbij eindeloos heroverwegingen worden gemaakt, maar die opmerkelijk goed verborgen kan worden. We hebben een aantal mannen en vrouwen met uiterst verantwoordelijke posities gezien, die voortreffelijk functioneren terwijl hun mentale leven een kwelling is. Sommigen hebben me verteld dat ze de nachtmerrieachtige tredmolen van gedachten juist verdrijven door een zo druk mogelijk bestaan te leiden.
Sam is vele jaren in psychoanalyse geweest. In die periode hebben hij en zijn arts zich intens ingespannen om de psychische factoren van zijn ziekte te reconstrueren. Hoewel ik denk dat Sams relatie met zijn therapeut bijzonder bemoedigend was, geloof ik dat Sams gedachten over zijn jeugd een vertwijfelde poging waren om iets zinnigs te ontdekken in zijn zinloze rituelen, en niet omgekeerd. Ook Sam is daar onzeker over. Psychoanalyse was een belangrijke hulp bij Sams depressie, maar die was niet van invloed op zijn obsessies of op zijn rituele handelingen. Duidelijk is wel dat Anafranil uiteindelijk de obsessies afdoende kon bestrijden. Nadat Zach goed op het medicijn had gereageerd, probeerde Sam het ook. De resultaten kwamen langzaam en niet zonder problemen. Aanvankelijk onderging hij alleen maar de vervelende bijwerkingen van het middel, maar hii zette door en in de loop van de daaropvolgende maanden vervaagden de gedachten geleidelijk. Ze verdwenen niet helemaal, maar het is beter dan het sinds jaren is geweest.
OCD gaat vaker gelijk op met beroepssucces dan met persoonlijk geluk. Partners raken van elkaar vervreemd. Wat aanvankelijk deed denken aan bewonderenswaardige terughoudendheid en zelfbeheersing verandert in de loop der jaren in argwaan en waakzaamheid. De partner van iemand met OCD voelt zich verlaten en afgewezen. Dat valt duidelijk op te maken uit wat Sams vrouw me schreef.
Vorige deel hoofdstuk
Volgende deel hoofdstuk

Terug naar index