Uit: 'De Vrouw die haar meubels met suiker bestrooide'
Leven met het geheim van OCD
(geschreven door de echtgenote van Sam)
Vanaf onze eerste ontmoeting maakte Sam een gespannen indruk, gedroeg hij zich merkwaardig terughoudend en durfde hij zich kennelijk niet te laten gaan. Maar ik hield mezelf vaak voor dat ik me eigenaardigheden verbeeldde die er niet waren, dat ik probeerde stukjes van een legpuzzel in elkaar te passen terwijl er eigenlijk geen afbeelding bestond. Toch was er een ondefinieerbaar 'iets' en naarmate de tijd verstreek, wist ik dat het waar was, bedrieglijk maar onmiskenbaar aanwezig. Het was inderdaad als een puzzel. Het was meestal gemakkelijk om redenen, of in ieder geval excuses, voor Sams gedrag te vinden. Ik dacht dat hij heel nerveus was. Hij maakte geregeld krampachtige bewegingen, maar een zenuwtrek is niet strafbaar. Sam zei er nooit iets over. Ik vermoedde dat hij zich ervoor geneerde en besloot er mijn mond over te houden. Maar er waren nog meer zonderlinge gedragingen. Sam bladerde vaak door een boek of een tijdschrift alsof hij een bepaald woord zocht. Hij deed dat met een bezeten intensiteit. Als ik hem dan vroeg wat hij aan het doen was, of zelfs zomaar iets zei, reageerde hij niet.
Maar daarnaast bespeurde ik een onderdrukte woede. Waarom?
Het viel me dikwijls op dat Sam jets op een stukje papier schreefen het vervolgens weggooid. Volgens mij dacht hij dat ik het niet zag. Dit gebeurde altijd heel doelbewust. Als ik hem erop de man af naar vroeg, negeerde hij me of probeerde het met een grapje af te doen.
Mijn nieuwsgierigheid werd ondraaglijk. Ik dacht dat de woorden die hij neerschreef het antwoord konden geven op zijn vreemde gedrag. Twee keer heb ik het afval doorzocht en al die stukjes papier eruit gehaald. Ik legde ze als een legpuzzel aan elkaar. Wat ik toen zag, stelde me voor een nog groter raadsel. De eerste zin was. 'verleden, verleden, verleden.' De tweede luidde:
Zeus is waardeloos.' Ik heb Sam nooit verteld wat ik had gedaan. En ik heb hem evenmin gevraagd wat het betekende. Ik was ervan overtuigd dat hij woedend zou worden.
Dc vreemde handelingen kwamen en gingen. Maar als er eentje verdween, leek het alsof er een ander voor in de plaats kwam. Ik bleef hopen dat het op een dag gewoon voorbij zou zijn. Sam was vaak gedeprimeerd. Soms kreeg hij een zwaar depressieve bui. Dat leek te gebeuren op momenten dat hij geen ernstige problemen had. Zaten we wel met een groot probleem dan vermande Sam zich altijd en pakte de moeilijkheden aan. Daardoor vroeg ik me af of hij die andere dingen ook niet in bedwang kon houden als hij dat werkelijk wilde.
Ik vond dat Sam en ik een goed en gelukkig huwelijk hadden. Ik vond ook dat we een prima contact samen hadden en dat we onze gevoelens en problemen met elkaar deelden. Maar op de achtergrond speelde altijd dit duistere geheim, dit vage ontoegankelijke onderwerp. Het was er op gelukkige momenten, op droevige momenten, tijdens vakanties, overal en altijd.
In mijn ogen had het te maken met een soort egoisme. Van mij werd verwacht dat ik ermee leefde en er nooit vragen over stelde, niet liet merken dat ik het zag, het nooit begreep. Maar ik wist dat het er was en vaak overviel het me. Dan stak het de kop op zonder dat ik te weten kwam waardoor het zo plotseling was veroorzaakt. Het kwam bovendien op mij over als een betrokkenheid op het eigen ik die egoistisch en egocentrisch was. Sam ging zo op in zijn zelfonderzoek, hij was zo betrokken bij zijn eigen 'krankzinnigheid', dat ik me dikwijls vcrwaarloosd, buitengesloten en vergeten voelde. Ik ben een geduldig mens. Ik wachtte. Ik voelde dat Sam hier geen macht over had. Ik hoopte simpelweg op een of andere bekentenis, een of andere verklaring van wat er gaande was.
We waren tien jaar getrouwd. Ik was in verwachting van ons derde kind. Ik had Sams ups en downs gezien en geleerd me aan te passen aan zijn behoefen, zijn stemmingen, zijn eigenaardigheden, zijn geslotenheid, zijn woede en zijn zelfhaat. Ik had vermoedens gekoesterd dat hij een verhouding had en geen raad wist met zijn schuldgevoel, of dat hij me haatte, maar de confrontatie met een gebroken-gezinssituatie niet aankon. Maar ik wist dat het in werkelijkheid 'iets' was dat van binnenuit kwarn. Hij had een nieuw dieptepunt bereikt. Hij was vreselijk depressief en prikkelbaar. Hij ging volledig in zichzelf op en leek iedere dag verder in zijn schulp te kruipen. Het was bijna onmogelijk om contact met hem te krijgen.
Ik was bang, zowel voor mezelf als voor onze kinderen. Ik was boos omdat we er nog een kind bij zouden krijgen, maar Sams geest was niet bij ons gezin en richtte zich op de een of andere manier volledig op hemzelf. Hij was ergens van bezeten.
Ik dacht aan mensen die ik om hulp kon vragen: zijn ouders, onze rabbi, onze huisarts. Maar iedere gedachte daaraan verwierp ik weer, wetend dat Sam woedend zou zijn als ik met iemand over hem sprak. Ten slotte besloot ik al mijn gedachten en gevoelens op te schrijven en dat aan Sam te laten lezen. Ik eiste bovendien dat hij deskundige hulp zou zoeken. Ik dreigde dat ik bij hem weg zou gaan als hij niet meewerkte. Ik was aan het eind van mijn Latijn. Ik kon het niet langer negeren, excuseren, proberen het te begrijpen of geloven dat het vanzelf zou overgaan. Ik kon niet langer tegen de geheimzinnigheid, de uitsluiting, de zelfbetrokkenheid, het vreemde gedrag, de neerslachtigheid en de prikkelbaarheid. Ik was boos en bang. Ik voelde me machteloos en had het gevoel alsof ik toekeek hoe Sam verdronk zonder hem een reddingslijn toe te werpen. Ik was bang dat hij zelfmoord zou plegen. Sam raadpleegde een psychiater en ging in psychoanalyse. Zijn ziekte kreeg een naam. Deuren gingen open en langzaam maar zeker begon het te dagen. Sam sprak zich uit, beetje bij beetje. Ik kreeg geleidelijk de geschiedenis van zijn gedrag te horen en vernam hoe het hem beheerste. Soms maakte die wetenschap het niet gemakkelijker te hanteren. Hij werd nog steeds depressief en kwaad, leek nog steeds egocentrisch. En ik voelde me nog steeds buitengesloten. Maar nu had ik zowel enige hoop als een verklaring. Ik was ervan overtuigd dat zijn toestand zou verbeteren en dat de psychiater hem zou leren leven met zijn ziekte. Ik hoopte dat de psychoanalyse Sam zou helpen om zijn woede te begrijpen en te hanteren.
De depressies gaan niet meer zo diep als vroeger. De rituelen zijn even vertrouwd en gewoon voor me geworden als het gezicht van mijn man. Pas nu veroorloof ik mezelf te hopen dat het medicijn echt helpt, dat ons leven misschien een beetje normaler wordt. Het is bijna onmogelijk daarin te geloven, en een bijgelovig deel van mijn wezen staat niet toe dat ik nu al op die verandering reken.