Uit: 'De vrouw die haar meubels met suiker bestrooide'
"De verwachting dat ieder neurotisch fenomeen genezen kan worden is,naar ik vermoed, wellicht afkomstig van het lekengeloof dat de neurosen volstrekt onnodig zijn en geen enkel bestaansrecht hebben. Maar in werkelijkheid zijn het ernstige, constitutioneel bepaalde ziekten, die zich zelden beperken tot slechts enkele aanvallen, maar gewoonlijk gedurende langere perioden of een heel mensenleven voortduren." - Sigmund Freud, Inleiding tot de psychoanalyse
Het afleren gebeurde snel. Het meeste van wat ik tijdens mijn
psychiatrisch-klinische opleidingsperiode over OCD had
geleerd,moest ik weer vergeten. Ik had geleerd dat patiënten met
deze ziekte meestal een speciaal 'obsessioneel'
persoonlijkheidsprofiel zouden hebben: mensen met een dwangmatige
persoonlijkheid zijn mensen die perfectionistisch, punctueel,
koel en ordelijk zijn. Ze zijn dit ten opzichte van de meeste
dingen en zijn altijd zo geweest. Deze beschrijving is
op misschien twintig procent van onze patiënten van
toepassing,maar op de meeste niet. Velen van hen zijn heel
slordig, op jongere leeftijd zelfs slonzig, en onverschillig ten
aanzien van hun uiterlijk,hun kamer en hun bezittingen. Het
merkwaardigst is dat velen met hun streven naar perfectionisme of
met hun rituelen uiterst selectief zijn als het gaat om wat
perfect moet gebeuren of waar er opgeruimd moet worden.
Dit contrast tussen een eiland van fanatieke ordelijkheid in een
zee van chaos kan frappant zijn. Tegenwoordig vind ik dat vrij
vanzelfsprekend, maar toen ik voor het eerst zag in wat voor
rommel mijn patiënten konden leven, was ik stomverbaasd. Ik was
voor een visite aan John en Richard, beiden zestien jaar oud en
behebt met dwangmatig wasgedrag, naar onze kinderafdeling in het
NIMH gekomen, waar de twee jongens waren opgenomen voor
observatie. Ze douchten zich onophoudelijk en een van hen
verschoonde bovendien verscheidene keren per dag de lakens van
zijn bed. De verpleegsters begonnen een aantal procedures te
leren die in de verpleegkunde ongebruikelijk waren. Allereerst
sloten ze de linnenkast af om ook de rest van de afdeling te
kunnen voorzien van schone handdoeken en lakens. Voorts stelden
ze de twee jongens op een rantsoen van twee stukken zeep per dag.
En verder moesten ze hen ervan weerhouden om hun beddegoed mee te
nemen naar de wasruimte,zodat de overige patiënten de
gelegenheid kregen hun eigen goed te wassen.
Desondanks slaagden de verpleegsters er niet in John en Richard
zover te krijgen dat ze hun kleren van de grond raapten en op een
haakje hingen! In plaats daarvan vond er een dialoog plaats die
met een puber niet ongebruikelijk is en zeker bij mij thuis geen
onbekend tafereel is:
"Wil je die kleren even in de kast hangen? Raap alsjeblieft
die boeken van de grond."
"Dat doen we straks wel."
De selectiviteit was ook in andere opzichten verassend. Als ze
elkaar ontmoeten,kunnenmijn patiënten het best opschieten met
degenen die precies dezelfde symptomen hebben. Maar een 'wasser'
begrijpt meestal niet waarom iemand anders bijvoorbeeld altijd
aan het controleren is. Natuurlijk zijn ze meelevend en helpen ze
elkaar omdat ze de zinloosheid,het dwangmatige en het absurde van
elkaars symptomen herkennen.Maar er bestaat geen algemene neiging
om een van de andere veel voorkomende OCD-handelingen uit te
voeren dan de specifieke obsessies of dwanghandelingen die een
bepaalde patiënt toevallig heeft. Dus een 'wasser' staat in
algemene zin sympathiek tegenover een 'controleur', maar hij
schudt net als ik zijn hoofd en denkt bij zichzelf: goddank dat
ik dàt niet hoef te doen.
Het merkwaardigst is dat de patiënt zijn activiteiten 'min of
meer' onder controle heeft. Ze kunnen minutenlang of soms zelfs
uren gestaakt worden,maar ze keren altijd terug. Deze schijnbare
beheersing geldt niet alleen voor bewegingen, maar ook voor
gedachten en rituelen. Dit 'vrijwillige' aspect van obsessies is
jarenlang gebruikt als ondersteuning van de theorie dat ze
voornamelijk het gevolg zijn van een emotioneel probleem. Maar
een aantal neurologische symptomen kunnen eveneens enige tijd
onder controle worden gehouden. Patiënten met bijvoorbeeld het
syndroom van Gilles de la Tourette kunnen hun spiertrekkingen en
tics, en zelfs hun vocale uitbarstingen, tijdelijk onderdrukken.
Psychoanalytische training had me ervan overtuigd dat bijzondere
denkbeelden en angsten symbolisch werden geuit in dwangmatige
rituelen.Het voorbeeld was Freuds geval van de 'Rattenman'. Deze
jongeman werd sinds zijn kinderjaren geplaagd door obsessies en
toen hij Freud in 1907 raadpleegde, begon hij met een analyse die
zich concentreerde rond de steeds terugkerende gedachte dat er
ratten aan zijn anus knaagden. Freuds psychoanalyse bestond onder
meer uit het leggen van een uitvoerig en vindingrijk verband -
via de dromen en associaties van zijn patiënt - tussen de
rattenfantasieën en de gevoelens van de jongeman ten opzichte
van zijn vader, geld en seksualiteit.
Ik hoopte hetzelfde te leren doen door het lezen van klassieke
gevallen en door de supervisie van ervaren clinisten. Ik dacht
dat ik, als ik een patiënt eenmaal goed had leren kennen en zijn
vertrouwen had gewonnen,wel zou ontdekken welke schuldbewuste
wens of angst schuilging achter het wassen,controleren of tellen,
zoals Freud dat had gedaan bij de Rattenman. Als de patiënt deze
dingen niet kon thuisbrengen, kwam dat doordat onze samenwerking
niet 'diepgaand' genoeg was geweest.
Maar nu weet ik dat de meeste van onze patiënten die 'verborgen'
gedachte nooit zullen vinden. Natuurlijk komen ook OCD-patiënten
uiteindelijk zover dat ze,evenals patiënten met andere
ziekten,gaan praten over gedachten waarvoor ze zich aanvankelijk
te zeer schaamden om ze uit te spreken.Maar ondanks steeds beter
wordende contacten en uitwisseling van uiterst intieme gedachten
en gevoelens is minstens de helft van onze 'rituele' patiënten
niet in staat om zich een werkelijk beeld te vormen over de
'gedachte erachter'.Anderen hebben ideeën die meer klinken als
Theorieën om het repeterende gedrag zelf te verklaren.
Bij OCD was het alsof een of ander inwendig patroon naar buiten
trad, een patroon dat normaal gesproken in bedwang werd gehouden.
Dwanghandelingen en obsessies kunnen neutrale handelingen of
gedachten zijn die gewoonweg herhaald móeten worden. Ze worden
zonder angst of samenhang uitgevoerd. Geen enkele theorie die ik
had geleerd gaf daar een verklaring voor.
Stanley,bijvoorbeeld,is inmiddels zestien jaar en werd gedwongen
om handelingen telkens en telkens weer te herhalen.Deze gewoonten
waren op zijn vijftiende plotseling begonnen en hij haatte ze.
Als atleet en talentvol basketbalspeler vreesde hij de vertraging
als gevolg van herhalingen die, ook al wist hij ze te
verdoezelen,'zijn prestaties in de weg stonden'.Maar hoezeer hij
ook zijn best deed met mij en aan ons onderzoek mee te werken,hij
had geen flauw benul waarom hij alles twee keer deed. Hij kon
zijn motivering nog het best omschrijven als een drang tot
herhalen en een vaag gevoel van onbehagen als hij het niet deed.
Het meest treffende kenmerk was de aanhoudende kracht achter die
'stomme' handeling waardoor al het andere onbelangrijk werd.
Veel eerder in mijn opleiding zouden we begrijpend hebben geknikt
tijdens onze diagnostische besprekingen en hebben gesproken over
'opdringerig ouderschap' of 'begrensde problemen' als het ging om
een moeder die samen met haar zoon uren bezig was om zijn kamer
schoon te maken,of om ouders die een kind opsloteno om te
voorkomen dat hij iemand zou 'vermoorden',of om een moeder die
een restaurant weer verliet omdat ze er niet op de 'juiste
manier' naar binnen waren gegaan. We moesten nog veel over deze
ziekte leren! De oude formules waren niet meer van toepassing.
Ik had geleerd behoedzaam om te gaan met het 'wegnemen van het
symptoom'. Volgens een professor in de psychiatrie kon dat leiden
tot 'symptoomverschuiving', zodat 'ontzegging' van het
oorspronkelijke symptoom een te oppervlakkige benadering zou
blijken te zijn. Als we het 'geselecteerde' symptoom eenmaal
hadden verwijderd,zou het worden vervangen door een nieuw
symptoom,of misschien zelfs door meerdere. In de opleiding die de
meeste psychiaters tot voor kort nog ontvingen werd deze ziekte
beschouwd als een kwaal die misschien wel het best van alle
ziekten in staat was de symbolische betekenis van abnormaal
gedrag aan te tonen.De 'wassers' waren beslist klinische
personificaties van lady Macbeth. Het was duidelijk dat de
'controleurs' hun familieleden een of ander gevaar toewensten en
dit moesten ontkennen. Hun symptomen dienden natuurlijk zodanige
aspecten te hebben dat ze deze verboden wensen, deze
onuitgesproken grieven en schuldgevoelens hanteerbaar maakten.
Wat Sigmund Freud feitelijk zei over obsessieve-compulsieve
neurose is heel wat minder star. Zijn werk bevatte beschouwingen
over genetische en andere biologische invloeden. Hoewel Freud
speculeerde over psychologische invloeden bij
obsessieve-compulsieve neurose,schreef hij
ook:"Psychoanalyse houdt op waar het gaat om de vraag welke
factoren een dergelijke ontwikkelingsstoornis kunnen veroorzaken.
Dat probleem moeten we overlaten aan biologisch onderzoek."
Hij erkende voorts hoe moeilijk het was om zinvolle verbanden te
leggen tussen obsessionele neurosen en andere neurosen,zoals
hysterie.
Het blijft een van de grote tegenstrijdigheden in de psychiatrie
dat OCD, de ziekte die het meest wordt aangehaald om de
fundamentele principes van psychoanalyse te illustreren,de ziekte
zou zijn die het minst baat vindt bij deze behandeling.
Gedragspsychologen veroorzaakten de eerste omwenteling in de
behandeling van OCD. In de jaren zestig en zeventig leek een
leertheoretische benadering van deze ziekte bijzonder in trek te
zijn. Een ritueel zou geboren worden wanneer de symptomen werden
gezien als geconditioneerde verbanden tussen een angst en iets
dat deze angst zou verminderen. Wetenschappelijke theoriemodellen
met betrekking tot OCD worden nog steeds bestudeerd en velen
vinden baat bij deze behandeling. Maar in de laatste paar jaar
heeft de organische visie op deze ziekte, ontstaan door de unieke
reactie op medicijnen en de vondst van afwijkingen in
hersenscans, een steeds grotere invloed op de opvatting over deze
ziekte gekregen. Ondanks deze verandering kan het uiterst
belangrijke voordeel van gedragstherapie niet genoeg benadrukt
worden. Tijdens de jaren zeventig las ik over de doeltreffendheid
ervan bij behandeling van fobieën en OCD. Voor patiënten die
bereid en in staat zijn zich aan de voorschriften ervan te
onderwerpen,zou gedragstherapie de eerste keuze van
behandelingsmethoden moeten zijn.
Mijn visie op OCD-patiënten als mensen die in andere opzichten
normaal zijn,ontwikkelde zich tijdens de gesprekken met personen
die me over hun ziekte vertelden. Maar het waren de
behandelingsmethoden met medicijnen of gedragstherapie die me er
uiteindelijk van overtuigden dat ze deze symptomen nimmer nodig
hadden om hun evenwicht te bewaren of controle te behouden over
een of ander innerlijk psychologisch conflict.
De psychofarmacoloog, de arts die medicijnen gebruikt om gedrag
te wijzigen, heeft een machtig gereedschap om hulp te bieden bij
OCD. Telkens wanneer ik een medicijn voorschrijf, voer ik
eigenlijk een mini-experiment uit. De meeste van onze patiënten
hadden vergeefs andere medicijnen en behandelingsmethoden
geprobeerd. Door gebruik te maken van het nieuwe
middel,Anafranil,kwam ik tot de overtuiging dat de enige
verstandige behandeling voor mijn patiënten is: het zo snel
mogelijk verdrijven van die symptomen. Wanneer het medicijn hielp
(en bij minstens een derde van onze patiënten was dat niet het
geval) vervaagden de ongewenste ideeën en beelden en
ontwikkelden zich geen nieuwe symptomen. Ouders reageerden
opgelucht. Ze hoefden zich niet langer alleen op hun kinderen te
concentreren en waren blij dat ze de draad van hun eigen leven
weer konden oppakken. Charles' moeder ging haar man weer helpen
met diens werk. Pauls moeder kreeg weer meer contact met haar
zuster. Ouderlijk gedrag, hoe vreemd en onredelijk ook, is vaak
een reactie op lastige eisen van een ziek kind, eisen die ze maar
al te graag vergeten wanneer het kind niet langer lijdt.