Dwangstoornis: Hoe en wat?

door: Elvira van Dongen SPW 3A

Inhoudsopgave

  0.  Inleiding
  1.  Wat is een dwangstoornis?
  2.  Wat is een angststoornis?
  3.  Wat is het verband tussen een dwangstoornis en een angststoornis?
  4.  Hoe ontstaat een dwangstoornis?
  5.  Hoe is een dwangstoornis te behandelen?
  6.  Stageplaats
  7.  Wat heb ik in mijn stage met een dwangstoornis te maken gehad?
  8.  OCD test
  9.  Samenvatting
10.  Conclusies
11.  Woordenlijst
12.  Literatuurlijst


Bijlagen:
  • Kennis dwangneurose gering
  • Syndroom van Down
  • Wat is autisme?

    terug naar Diversen



    Inleiding

    Na 1,5 jaar school en 1 jaar stage krijg je te horen dat je als eindwerkstuk een scriptie moet schrijven. Een scriptie denk je dan, wat is dat? En na de uitleg denk je: Help! Maar algauw schieten er situatie uit je stageperiodes door je gedachten heen, op een gegeven moment weet je zelfs niet meer wat te kiezen.

    Het onderwerp “Dwangstoornis: Hoe en wat?” bestaat uit twee vragen n.l. : “wat is een dwangstoornis?” en “hoe heb ik er in mijn stage mee te maken gehad”. Met deze twee vragen wil ik proberen de hoofdvraag op te lossen. De hoofdvraag luidt ”Heeft Henk een dwangstoornis?”. Henk is een fictieve naam voor een persoon tijdens mijn tweede stage die dwangmatig gedrag vertoond. Het dwangmatige gedrag dat Henk vertoond was voor mij de aanleiding om mijn scriptie te schrijven over een dwangstoornis. En daarbij is een dwangstoornis voor de meeste mensen ook een geheel onbekende stoornis. Voor mijzelf was het ook niet bekent.

    Op de vraag “wat is een dwangstoornis” heb ik weergegeven in de eerste 6 hoofdstukken. De tweede vraag “hoe heb ermee te maken gehad” vindt u bij de hoofdstukken die gaan over mijn stage.

    Bepaalde delen van de teksten staan cursief weergegeven, het gaat dan om voorbeelden. Woorden waarvan u de betekenis niet kent kunt u vinden in de woordenlijst achterin.

    Vele mensen ben ik dankbaar voor hun hulp, op de eerste plaats is dat mijn moeder die heel wat spanningen heeft mogen doorstaan. Ook fysiotherapeut dhr. M.van Dijk, de makers van ocdvriendenkring, mevr. J. Schoonen en dhr. E. Ruiter ben ik dankbaar voor hun hulp.

    terug naar boven
    terug naar Diversen


    1.  Wat is een dwangstoornis?

    Bij het horen van het woord “dwangstoornis” zal er bij vele mensen een vraagteken verschijnen, enkele mensen zullen waarschijnlijk een persoon voor zich zien die maar blijft schoonmaken.

    Een dwangstoornis bestaat uit twee belangrijke kenmerken:
    1.  Dwanghandelingen: steeds terugkerende en schijnbaar zinvolle handelingen die volgens bepaalde regels en op telkens een zelfde wijze worden verricht.
    2.  Dwanggedachten: steeds terugkerende ideeën, gedachten of beelden die als zinloos en niet gewild worden beleefd.

    Voor de woorden dwanghandelingen en dwanggedachten wordt tegenwoordig ook wel compulsief en obsessie gebruikt. Een dwangstoornis wordt dan ook wel Obsessief- Compulsieve Stoornis (OCS) genoemd.

    Iedereen heeft weleens momenten dat hij vier keer gaat kijken of het gas wel uit is of dat de deur inderdaad wel op slot is. En de een zal goed nadenken en tot de conclusie komen dat het gas inderdaad uit is en dat de deur op slot is. De ander gaat terug omdat hij het niet meer zeker weet. Bij kinderen zie je vaak dat ze niet op kapotte stoeptegels gaan staan want als ze het wel doen brengt het ongeluk, net zo als het alleen op de witte strepen van een zebrapad mogen lopen. Maar waar ligt nu de grens tussen het normale en het hebben van een dwangstoornis.

    De overgang tussen het normale en een dwangstoornis.

    De overgang van het normale naar het hebben van een dwangstoornis gaat heel geleidelijk en hoeft voor de buitenwereld (zelfs familie) niet eens merkbaar te zijn. Het is vaak niet merkbaar omdat je de veranderingen heel begrijpelijk vindt.

    Eerst mocht je thuis met je schoenen binnen lopen maar je moeder wilt het niet meer hebben want je neemt alle viezigheid van buiten mee naar binnen. Een tijdje later moet iedereen die binnen komt eerst zijn handen wassen voordat ze de woonkamer in mogen. Je vindt het wat vreemd maar toch was je je handen voordat je verder gaat. Elke keer als je moeder weer wat anders wilt wordt het gedaan want dan blijft je moeder tevreden maar ondertussen kan het zijn dat je moeder een schoonmaakdwang heeft ontwikkeld waar je pas veel later achter komt.

    Om vast te stellen of iemand lijdt aan een dwangstoornis is lastig (zie verder in de scriptie). Wel staat vast dat als iemand een dwangstoornis heeft hij aan de volgende eisen moet voldoen:
    1.  Er moet sprake zijn van dwanggedachten of dwanghandelingen;
    2.  De dwanggedachten en dwanghandelingen moeten een bron van ellende vormen voor de persoon of houden een goed functioneren tegen;
    3.  De dwanggedachten of dwanghandelingen mogen niet het gevolg zijn van een andere psychiatrische stoornis zoal het syndroom van Gilles de la Tourette, schizofrenie of een depressie.

    Een dwangmatig karakter

    Sommige mensen zijn vanuit zichzelf heel precies en alles moet er heel goed uitzien. Boeken moeten recht op de plank staan en de stoelen netjes tegen de tafel aan, elke keer als het scheef ligt of niet recht staat wordt het weer goed gelegd of gezet. Het lastige voor deze mensen is, dat ze niet zomaar dat boek neer kunnen leggen terwijl ze eigenlijk geen tijd hebben om het recht te leggen. Zomaar spontaan iets doen is er niet bij want het moet eerst goed geregeld zijn. Voor vele is dat dwangmatige in hun karakter niet lastig (soms alleen maar handig, je zult je spullen nooit kwijt raken want alles heeft een vaste plaats) maar voor sommige kan het grote problemen geven.

    Iemand met een dwangmatig karakter kan op momenten dat hij onder druk staat nog dwangmatiger worden. Op die momenten is de kans groot dat er een dwangstoornis wordt ontwikkeld. Ook deze ontwikkeling loopt heel geleidelijk. Mocht er een overgang zijn van een dwangmatig karakter naar een dwangstoornis en kan die persoon niet meer op een normale manier sociaal functioneren, dan spreekt men van Obsessief-Compulsieve persoonlijkheidsstoornis.

    Verschillende vormen

    Een dwangstoornis kent veel verschillende vormen van dwang, te denken valt aan: schoonmaakdwang, wasdwang, controle dwang, dwangmatig tellen, dwangmatige traagheid, vraagdwang. Ook zie je vaak combinaties van verschillende soorten dwang.

    De dwangstoornis valt onder de categorie “angststoornissen”, dit omdat bij welke vorm van dwang dan ook de angst centraal staat.

    Iemand met een wasdwang moet 10 keer haar handen wassen voordat zij de was uit de wasmachine mag halen, anders maakt ze de schone was weer vies met het vuil dat aan haar handen is blijven zitten en moet ze de was weer opnieuw wassen.

    terug naar boven
    terug naar Diversen

    2.  Wat is een angststoornis?

    Angst is iets dat iedereen wel kent. Het is zelf gezond/goed om angst te kennen, angstig zijn geeft vaak aan dat er iets niet in orde is. Angst behoort net als blijdschap en verdriet tot de menselijke emoties die je niet moet onderdrukken, als je blij mag zijn mag je ook angstig zijn. Echter bij sommige mensen gaat die angst zover dat het sociaal functioneren wordt belemmerd en dat er hulp moet worden gezocht.

    Een angststoornis kunnen we in 8 verschillende vormen onderscheiden: 1.  Paniekstoornis;
    2.  Straat- of pleinvrees;
    3.  Dwangstoornis;
    4.  Angststoornis ontstaan na een ingrijpende, vaak levensbedreigende gebeurtenis;
    5.  Fobie voor contact met andere mensen;
    6.  Fobie voor een bepaald dier, voorwerp of specifieke situaties;
    7.  Gegeneraliseerde angststoornis (niet specifiek gericht op iets);
    8.  Niet anders omschreven angststoornis.

    Meer informatie over “angststoornissen” vindt u bij: Spreekuur thuis ‘angsten en fobieën’ J.P.C.M. Hoevenaars

    Voor een schematische onderverdeling van de angststoornis en de dwangstoornis, klik
    hier.

    terug naar boven
    terug naar Diversen


    3.  Wat is het verband tussen een dwangstoornis en een angststoornis?

    Ieder mens kent wel momenten van dwangmatigheid en angstigheid. Stel, je wilt een dagje weg. Voordat je vertrekt controleer je of alles uit is en alle deuren op slot zijn maar als je dan net weg bent bekruipt je het gevoel dat je het gas nog aan hebt gelaten. De ene persoon gaat alles in zijn gedachten nog eens een keertje langs en komt tot de conclusie dat hij zeker weet het gas uit gedaan te hebben, maar de andere persoon weet het echt niet meer en gaat terug naar huis.

    Sommige mensen worden door zulke gedachtegangen zo bezig gehouden dat het een normaal functioneren belemmert. Het feit dat je denkt het gas uit te doen roept bij die persoon een angst op en om van dat angst gevoel af te komen gaan ze terug naar huis om het te controleren. Eenmaal weer onderweg bekruipt hen weer die angst en gaan ze weer terug. Zo ontstaat er dus een cirkel waar die persoon niet meer uit kan komen, de enigste manier om voor hun gevoel daar uit te komen is het niet meer weg gaan.

    Het hierboven beschreven probleem zou je als een soort vicieuze cirkel kunnen zien.

    1. Denkt het gas aan te hebben gelaten
    4. Angst verdwijnt, opluchting 2. Angst bekruipt je
    3. Geeft toe aan de angst


    Die cirkel zie je ook bij een andere soort dwang, bijvoorbeeld schoonmaakdwang. Een persoon met een schoonmaakdwang moet na iedere maaltijd de keuken een hele sop beurt geven om er zeker van te zijn dat deze weer schoon is. Is er weer gebruik gemaakt van de keuken dan moet die persoon weer opnieuw beginnen.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    4.  Hoe ontstaat een dwangstoornis?

    Achter het ontstaan van een dwangstoornis is men nog niet gekomen. Er zijn veel verschillende soorten dwang en soms kan men met behulp van een psychiater erachter komen waarom men in de ban van die dwang wordt gehouden. Vaak blijkt het dat mensen, voordat ze een dwangstoornis hadden, al last hadden van een dwangmatig karakter.

    Er worden verschillende theorieën gebruikt om een verklaring te vinden voor het ontstaan van een dwangstoornis:
  • Psychodynamische theorie;
  • Leertheorie;
  • Erfelijkheidstheorie;
  • Biologische theorie.

    Psychodynamische theorie

    De psychodynamische theorie vindt zijn oorsprong bij de Weense psychiater Sigmund Freud. Freud ging er vanuit dat onze persoonlijkheid is opgebouwd uit:
  • het ik (het Ich),
  • het driftleven (het Es),
  • het geweten (het Uber-ich).
    Het “Ik” zorgt ervoor dat we fantasie en werkelijkheid van elkaar kunnen onderscheiden. Het “driftleven” streeft naar onmiddellijke bevrediging en ontlasting/ontlading van energie. Het “geweten” komt voort uit de geboden en verboden die ons door onze ouders zijn bijgebracht (onze waarden en normen).

    Bij een dwangstoornis is volgens Freud het “driftleven” in strijd met het “geweten”. Dwanggedachten zijn het gevolg van een doorbrekend “driftleven”, de handeling die daar opvolgt komt van het “geweten” om de angst tegen te gaan.

    Leertheorie

    Bij de leertheorie wordt ervan uitgegaan dat al ons gedrag aangeleerd gedrag is. De leertheorie kan niet verklaren hoe een dwangstoornis ontstaat maar kan wel verklaren hoe mensen het instand houden.
    Als iemand leidt aan een schoonmaakdwang zal het schoonmaken van het huis hem bepaalde angstgevoelens wegnemen. Het niet schoonmaken van het huis zal de angstgevoelens doen toenemen en hij zal het huis dus weer schoonmaken om deze gevoelens weer kwijt te raken. Deze persoon heeft dus “geleerd” dat als hij die angstgevoelens heeft hij die kwijt kan door het huis schoon te maken.

    Erfelijkheidsleer

    Bij de erfelijkheidsleer wordt ervan uitgegaan dat menselijke eigenschappen erfelijk bepaald zijn (zoals bijvoorbeeld de kleur van je ogen). Dat een dwangstoornis in een bepaalde familie vaker voorkomt dan in een andere familie heeft niet te maken met erfelijkheid maar met “afkijken”. Als jij van jongs af aan mee krijgt dat na de maaltijd de hele keuken schoon gemaakt moet worden dan zal jij dat later waarschijnlijk overnemen.

    Biologische theorie

    Bij de biologische theorie gaat het om, dat alles wat onze hersenen doen en laten veroorzaakt wordt door chemische processen. Ziekteverschijnselen geven aan dat die chemische processen verstoord zijn. Om welke chemische verstoring het bij de dwangstoornis gaat weten men nog niet. Wel blijkt het dat sommige medicijnen om depressiviteit tegen te gaan ook helpen bij het tegen gaan van verschijnselen van een dwangstoornis.



    terug naar boven
    terug naar Diversen
    5.  Hoe is een dwangstoornis te behandelen?

    Als mensen problemen of klachten hebben gaan ze als eerste naar hun huisarts. Zodra deze denkt dat het om een dwangstoornis gaat zal hij de patiënt door verwijzen naar een RIAGG of naar een psychiater/psycholoog.

    Er zijn drie mogelijkheden van behandelen:
  • Psychotherapie;
  • Medicijnen;
  • Combinatie van psychotherapie en medicijnen.

    Psychotherapie

    Psychotherapie is een therapie die wordt toegepast bij psychische klachten en bestaat uit gesprekken met een psychotherapeut. De therapie is erop gericht om de psychische (innerlijke) klachten van een patiënt te verlichten. Er bestaan verschillende vormen van psychotherapie, enkele zijn:


  • Individuele cliëntgerichte psychotherapie:
    Deze therapie helpt je een beter contact te maken met jezelf. Je leert ervaren wie je bent, wat voelt en wilt, wat je belemmert en hoe je anders kunt handelen om jezelf weer beter te voelen.
  • Cognitieve therapie:
    Deze therapie berust op de leertheorie. De cognitieve therapie is erop gericht om de ideeën en opvatting die iemand over een bepaald onderwerp heeft te veranderen.
  • Gedragstherapie:
    Bij deze therapie staat het menselijk gedrag in wisselwerking met de omgevingsfactoren centraal. Ieder mens doet, denkt en handelt op een eigen manier en in de loop der jaren heeft ieder mens veel gedrag aangeleerd. Iemand met psychische klachten kan m.b.v. gedragstherapie leren anders om te gaan met datgene waar hij/zij bang voor is of moeite mee heeft.

    Medicijnen

    Medicijnen worden onderverdeelt in groepen. Zo bestaat er een groep medicijnen tegen: depressies, angsten, spanningen, slaapstoornissen en nog andere groepen. Er bestaat echter (nog) geen groep medicijnen tegen dwangstoornissen.

    Sinds een paar jaar is het bekend dat bepaalde medicijnen, die bedoeld zijn voor de behandeling van depressies, ook helpen tegen dwangstoornissen. Het gaat dan om het medicijn anti-depressiva, in dit middel zitten namelijk serotonine-heropname-remmers. Serotonine is een stof die voorkomt in onze hersenen en een rol speelt bij het overbrengen van boodschappen van de ene zenuw naar de andere zenuw.

    Serotonine heeft een positief effect op mensen met een dwangstoornis, een nadeel is echter dat het effect pas na 8 tot 10 weken te merken is, terwijl bij iemand met een depressie er al naar 2 weken verbetering te zien is. Ook de doses die er ingenomen moet worden is hoger dan bij iemand met een depressie.

    Combinatie van psychotherapie en medicijnen

    Bij iedereen, die een dwangstoornis heeft, uit zich dat op een andere manier. Er is dus ook niet één behandeling die bij iedereen aanslaat, daarom kan een combinatie van, zowel medicijnen als therapie, een mogelijkheid zijn. Doorgaans geeft een combinatie ook betere resultaten.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    6.  stageplaats

    Het onderwerp van deze scriptie is tot stand gekomen naar aanleiding van mijn tweede stage. Mijn tweede stage heb ik gelopen in het gezinsvervangendtehuis (g.v.t.) Schouwenoord. Schouwenoord behoort bij Stichting het Gors.

    Wat is Stichting het Gors?

    Stichting het Gors is een organisatie met als doel: het bieden van door cliënten gevraagde zorg- en diensterverlening, gericht op het welzijn en de ontplooiing van mensen met een handicap. Zij bieden:
  • Een hoogwaardige begeleiding en verzorging die zijn afgestemd op de unieke mogelijkheden en wensen van de cliënten;
  • Een klimaat waarin groei en integratie mogelijk is. Het werk van de stichting richt zich op de begeleiding bij - wonen - leren - werken en recreëren.

    De zorgvisie die het Gors hanteert is de volgende:

    De zorg- en dienstverlening wordt zo verleend, dat mensen met een handicap
  • Persoonlijke keuzen kunnen maken ten aanzien van hun levensomstandigheden, waar dit van toepassing is, samen met hun (wettelijk) vertegenwoordiger(s);
  • Blijven of gaan deelnemen aan de samenleving;
  • Relaties kunnen opbouwen en onderhouden met anderen;
  • Met respect en waardigheid worden behandeld; Die zorg- en dienstverlening krijgen die aansluit op hun eigen mogelijkheden (past bij de identiteit/levensbeschouwing).

    Binnen Stichting het Gors staat de cliënt centraal en dat betekent ook een steeds wisselende vraag van de cliënten. Stichting het Gors probeert zoveel mogelijk in te gaan op de vragen van de cliënten, hierdoor heeft de stichting een grote verscheidenheid aan mogelijkheden.

    De zorg- en dienstverlening door Stichting het Gors vindt men op Schouwen-Duiveland, Walcheren, de Bevelanden en Tholen. Over het algemeen kun je twee hoofdgroepen onderscheiden namelijk, wonen en dagbesteding.
    Meer informatie over Stichting het Gors kunt u vinden op:
    www.gors.nl

    Wat is Schouwenoord?

    Schouwenoord is een gezinsvervangendtehuis voor mensen met een verstandelijke handicap. De leeftijd van de bewoners ligt tussen de 23 en 70 jaar. De bewoners zijn verdeeld over twee groepen (huiskamer 1 en 2). De indeling is zo gemaakt dat de mensen met ongeveer hetzelfde niveau zoveel mogelijk bij elkaar in één huiskamer zitten. Binnenkort wordt er overgegaan naar een indeling met drie huiskamers.

    Op Schouwenoord zijn ongeveer 14 mensen werkzaam als: teamleidster, (persoonlijk) begeleidsters, (invalkracht) assistent-begeleidsters. Daarnaast is ook een administratief medewerkster, een kokkin, technische dienst en een huishoudelijke dienst werkzaam.

    De teamleider heeft als doel te zorgen voor een goede coördinatie van de zorg voor de cliënten, zowel op individueel niveau als op groepsniveau.
    Als (persoonlijk)begeleidster heb je als doel zorgt te dragen voor de uitvoering van de zorg voor cliënten op individueel niveau en op groepsniveau. Het doel van de zorg is gericht op het bevorderen en/of in stand houden van de zelfredzaamheid van de cliënten. Als (invalkracht) assistent-begeleider heb je als doel te zorgen voor een bijdrage aan de zorg voor de cliënten. En ook voor de assistent-begeleider geldt dat die zorg gericht is op het bevorderen en/of in stand houden van de zelfredzaamheid van de cliënten.



    terug naar boven
    terug naar Diversen
    7.  Wat heb ik in mijn stage met een dwangstoornis te maken gehad?

    Het is woensdagavond en ik vraag aan Henk of hij vast naar zijn kamer gaat en zich gaat uit kleden zodat hij zo in bad kan. Ik weet, Henk is niet zo snel en zal nog wel een paar keer terug komen lopen, dus ik wacht een minuut of 20 voordat ik naar hem toe ga. Als ik op zijn kamer kom tref ik Henk in kleermakers zit op de grond, bezig met het vouwen van zijn kleren. Voor hem ligt een trui uitgespreid op de vloer die hij volgens een vast patroon opvouwt en als het niet gaat zoals hij wilt begint hij weer helemaal opnieuw.

    Hierboven staat een situatie beschreven over Henk. Henk is een man van 47 jaar met het syndroom van Down (niet chromonosaal aangetoond). Daarnaast kan Henk niet praten en is hij dwangmatig. Om toch te kunnen aangeven wat hij wilt of bedoelt maakt hij gebruik van een eigen verzonnen gebarentaal. Het is dus voor de overige bewoners en de begeleiding niet altijd even duidelijk wat hij bedoelt. Henk begrijpt vaak wel de gesproken taal.

    Het dwangmatige gedrag van Henk komt tot uiting in het vouwen van zijn kleren, het niet in één keer kunnen neerleggen van spullen (het moet precies zò liggen), Het niet in één keer een deur dicht doen of in één keer naar een bepaald doel lopen. Het is lastig om het dwangmatige gedrag van Henk te doorbreken en als het wel lukt dan is dat vaak maar voor even.

    Hoe ben ik er mee omgegaan?

    Aan het begin van mijn stage, toen ik aan alle bewoners werd voorgesteld, dacht ik dat het heel moeilijk zou zijn om met Henk contact te krijgen en hem een beetje te kunnen begrijpen. Echter, het ging veel gemakkelijk dan verwacht. Omdat Henk gesproken taal begrijpt kon je hem ook vragen om iets op een andere manier duidelijk te maken wat hij bedoelde. Ik merkte dat het mij trok om uit te vinden wat Henk met zijn gebaren bedoelde.

    Het dwangmatige gedrag van Henk vond ik in het begin wel lastig zeker omdat je moest proberen dat gedrag te doorbreken. Tijdens een avonddienst liep ik daar dus tegenaan. Ik zou Henk begeleiden bij het omkleden en naar bed gaan toen ik even later op zijn kamer kwam was hij aan het vouwen en wat ik ook probeerde ik kreeg hem niet van dat vouwen af. Ik ben toen naar voren gegaan (de slaapkamers liggen achter de woonkamers) en heb aan een andere begeleidster gevraagt hoe ik dat moest aanpakken. Na die uitleg ben ik gelijk terug gegaan en heb tegen Henk gezegt “nog één keer anders vouw ik dat shirt op”, ik kreeg een boze blik naar me toe geworpen maar opdat moment was het wel af gelopen met het vouwen (helaas voor kort duur) want hij vouwde het shirt op, kleedde zich om en ging in bed liggen. Zoals al gezegt was het maar voor korte duur want toen ik even later om de hoek van de deur keek zat Henk weer op de grond in kleermakerszit zijn kleren te vouwen.

    Henk vertoont niet alleen tijdens het omkleden dwangmatig gedrag maar de gehele dag door, zoals tijdens de maaltijd of het koffiedrinken.

    Het is acht uur en tijd voor de koffie, Henk komt ook koffie drinken en gaat op zijn vaste plek op de grond (in kleermakerszit) zitten. De beker wordt recht gezet en ook het lepeltje wordt diverse malen neergelegd en weer opgepakt totdat het uiteindelijk goed ligt. Als de koffie is ingeschonken doet Henk er een beetje melk bij en pakt zijn lepeltje. Het lepeltje pakt hij in het midden vast en met het puntje van de lepel roert hij door zijn koffie.

    Op momenten dat Henk zo’n dwangmatige handeling verricht gaat hij er helemaal in op. Een leuke afleidingsmanouevre is om tegenover Henk op de grond te gaan zitten en precies hetzelfde te doen.

    Heeft Henk een dwangstoornis?

    Het staat niet zwart op wit of Henk een dwangstoornis heeft. Na het hebben gelezen van de informatie over dwangstoornis zou ik niet de conclusie willen trekken dat hij een dwangstoornis heeft. Wel heeft Henk kenmerken ervan. Henk kan ook heel erg in een eigen wereld zitten, hij is dan bezig met het maken van gebaren die niet voor iemand anders zijn bedoelt. Dat zo inzichzelf bezig zijn zou een kenmerk kunnen zijn van autisme. Ik denk dat het moeilijk is om te zeggen wat het precies is bij Henk, het is volgens mijn een combinatie tussen dwangstoornis, autisme en het niet kunnen praten.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    8.  OCD test

    Een dwangstoornis is niet iets dat je vaak bij verstandelijk gehandicapten ziet maar meer bij psychiatrische patiënten. Bij verstandelijk gehandicapten zie je wel vaak dat ze vast zitten in een bepaald patroon. Je kunt niet zomaar de eettafels anders neerzetten want dan weten ze niet meer waar ze moeten gaan zitten. Dat vaste patroon zorgt voor zekerheid en veiligheid.

    Een dwangstoornis komt zowel bij mannen als bij vrouwen voor, ongeveer 2 à 3 % van de mensen in Nederland lijdt aan een dwangstoornis. 10 % van die mensen krijgen te laat en niet de goede begeleiding omdat het vaststellen van een dwangstoornis heel moeilijk is. Zoals in het eerste hoofdstuk wordt vermeld moet iemand aan bepaalde eisen voldoen voordat de diagnose “dwangstoornis” wordt vastgesteld.

    Er bestaan, zogenoemde OCD-testen, dit zijn testen die je kunt maken als je denkt last te hebben van een dwangstoornis. Zo’n test geeft natuurlijk geen antwoordt op de vraag “ Heb ik een dwangstoornis” maar geeft wel aan of er een mogelijkheid is dat je leidt aan een dwangstoornis.

    Op het internet kwam ik verschillende Engelse testen tegen en van een vriend kreeg ik toen het adres van een “OCD vriendenkring”. De OCD vriendenkring is een internet-site met allemaal informatie over dwangstoornissen (Obsessieve-Compulsieve Stoornis). Na contact gehad te hebben met de ontwerpers van deze site heb ik een Nederlands-talige test gekregen. Voor diegene die de site willen bekijken kunnen naar
    www.ocdvriendenkring.org gaan.

    Bij de test die ik heb ontvangen zit ook een gedeelte diagnose. Mocht uit deze test naar voren komen dat je wel leidt aan een dwangstoornis dan wordt er vermeld naar aanleiding van welke vragen dat is vastgesteld. Ook staat er vermeld wat je dan eventueel zou kunnen doen. OCD-test

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    9.  Samenvatting

    Een dwangstoornis bestaat uit twee belangrijke kenmerken, n.l. dwanghandelingen (compulsies) en dwanggedachten (obsessies). Iemand met een dwangstoornis moet aan de volgende drie eisen voldoen:
    1.  Er moet sprake zijn van dwanggedachten of dwanghandelingen; 2.  De dwanggedachten en dwanghandelingen moeten een bron van ellende vormen voor de persoon of houden een goed functioneren tegen; 3.  De dwanggedachten of dwanghandelingen mogen niet het gevolg zijn van een andere psychische stoornis.

    De overgang tussen normaal handelen en het hebben van een dwangstoornis verloopt heel geleidelijk. Een dwangstoornis valt onder de categorie “angststoornissen”. Dit omdat bij welke dwangstoornis dan ook de angst centraal staat. Enkele vormen van dwangstoornis zijn; wasdwang, schoonmaakdwang, dwangmatige traagheid.

    Het ontstaan van een dwangstoornis is nog niet bekent, wel worden er verschillende theorieën gebruikt om er een verklaring voor te vinden. Enkele theorieën zijn; psychodynamische theorie, leertheorie, erfelijkheidstheorie en de biologische theorie. Mogelijkheden voor behandeling zijn psychotherapie en/of medicijnen.

    Als je denkt last te hebben van een dwangstoornis dan kun je met behulp van een OCD-test nagaan of dat die gedachte klopt. geeft die test de diagnose “wel ocd” dan is het raadzaam contact met de huisarst op te nemen.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    10.  Conclusie

    Zoals in de inleiding vermeld bestaat het onderwerp van deze scriptie uit twee vragen: “wat is een dwangstoornis?” en “hoe heb ik er in mijn stage mee te maken gehad?”. De antwoorden hierop zijn nodig voor de beantwoording van de hoofdvraag “Heeft Henk een dwangstoornis?”.

    Vraag: “Wat is een dwangstoornis?”
    Antwoord: Een dwangstoornis is een stoornis waarbij er sprake is van dwanghandelingen of dwanggedachten die niet het gevolg zijn van een andere psychische stoornis. De dwanghandelingen of dwanggedachten vormen een probleem voor de persoon en zijn omgeving. De handelingen en gedachten houden een goed functioneren tegen.

    Vraag: “Hoe heb ik er in mijn stage mee te maken gehad?”
    Antwoord: Tijdens mijn tweede stage heb ik te maken gehad met Henk, een bewoner die dwangmatig gedrag vertoond. Het dwangmatige gedrag uitte zich o.a. in het heel precies en volgens een bepaalde volgorde opvouwen van zijn kleren, het recht leggen van bestek, het niet in een keer kunnen neerleggen van iets.

    Hoofdvraag: “Heeft Henk een dwangstoornis?”
    Antwoord: Om na te gaan of Henk een dwangstoornis heeft moet ik kijken of hij aan de eisen voldoet gegeven in hoofdstuk 1.

  • Is er sprake van dwanghandelingen of dwanggedachten?
    Ja, er is sprake van dwanghandelingen.

  • Vormen de dwanghandelingen of dwanggedachten een bron van ellende voor Henk en houden ze een goed functioneren tegen?
    De dwanghandelingen vormen voor Henk geen bron van ellende (voor zoveer ik dat zie bij Henk) maar eerder voor de begeleiding. De dwanghandelingen houden een goed functioneren niet tegen want Henk kan gewoon mee in de dagelijkse gang van zaken wat betreft bijvoorbeeld corvee taken en dagbesteding.

  • Zijn de dwanghandelingen of dwanggedachten het gevolg van een andere psychische stoornis?
    De dwanghandelingen kunnen het gevolg zijn van autisme. Henk vertoont kenmerken van autistisch gedrag, het in een eigen wereldje kunnen zitten. Ook het niet kunnen praten is een kenmerk van autisme.

    Kijkend naar de gestelde eisen vind ik dat Henk geen dwangstoornis heeft, wel vertoond hij dwangmatige handelingen. Een volgende stap zou kunnen zijn om na te gaan in hoeverre die dwangmatige handelingen het gevolg van autisme is.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    11.  Woordenlijst

    Angststoornis: ziekelijke angst, te vaak of te hevig angstig zijn in verhouding tot wat er feitelijk aan de hand is.

    Anti- depressivia: groep van geneesmiddelen tegen depressie.

    Autisme: contactstoornis, zie bijlage

    Biologische theorie: verklaringsmodel dat uitgaat van het principe dat elke klacht een oorzaak heeft op biochemisch niveau.

    Compulsie: zie dwanghandelingen

    Controledwang: dwangstoornis waarbij allerlei zaken overdreven vaak en grondig worden gecontroleerd.

    Depressie: sombere, neerslachtige bui.

    Dwanggedachten: steeds terugkerende gedachten die ongewild optreden en die niet goed te onderdrukken zijn.

    Dwanghandeling: een steeds terugkerende ongewilde handeling, doet men het niet dan leidt dat tot spanningen en angst.

    Dwangneurose: zie dwangstoornis.

    Dwangstoornis: stoornis (ziekte) op het gebied van dwang.

    Erfelijkheidstheorie: verklaringsmodel dat ervan uitgaat dat eigenschappen van de mens (ook ziekelijke) doormiddel van het genetisch materiaal (DNA) wordt doorgegeven aan nakomelingen.

    Fobie: angststoornis waarbij men overdreven angstig is voor bepaalde voorwerpen, dieren, mensen of situaties, die duidelijk aanwijsbaar zijn.

    Gegeneraliseerde angst: angst die niet ergens speciaal op gericht is.

    Gezinsvervangendtehuis: (t)huis voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap.

    Gilles de la Tourette: dit syndroom wordt gekenmerkt door tics. Dit zijn ongeconstructureerd spierbewegingen en/of geluiden.

    Leertheorie: verklaringsmodel dat ervan uitgaat dat het gedrag en de manier van denken van de mens zijn aangeleerd.

    Obsessie: zie dwanggedachte.

    OCD/ OCS: obsessive compulsive disorder > engelse term voor dwangstoornis. Obsessief-compulsieve stoornis >Nederlandse term voor dwangstoornis.

    Omgevingsfactoren: factoren die bepalend zijn voor je persoonlijkheid zoals, cultuur, familie/gezin, sociale klasse (arm of rijk).

    Paniek: angst die zo hevig is dat iemand de controle over zijn normale handelen en denken verliest.

    Paniekstoornis: angststoornis waarbij paniek in aanvallen optreedt.

    Persoonlijkheidstoornis: iemand is niet meer instaat om op een normale manier sociaal te functioneren.

    Psychodynamische theorie: theorie, ontwikkeld door Freud, over het menselijk psychische functioneren, enkele kenmerkende begrippen zijn: Ik (Ich), Driftleven (Es) en Geweten (Uber-Ich).

    Psychotherapeut: deskundige hulpverlener op het gebied van psychotherapie.

    Psychotherapie: therapie die een verlichtend of genezend effect heeft op een emotionele, gedragsmatige of mentale stoornis.

    RIAGG: Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg.

    Schizofrenie: ernstige psychiatrische ziekt die o.a. gepaard gaat met psychoses (de patiënt ervaart de werkelijkheid geheel of gedeeltelijk op afwijkende wijze).

    Schoonmaakdwang: dwangstoornis waarbij men overdreven neigingen heeft om schoon te maken

    Serotonine: een chemische stof die in bepaalde delen van de hersenen nodig is voor het overbrengen van impulsen van de ene zenuw op de andere en waarvan een tekort onder andere kan leiden tot depressie, angst en dwangverschijnselen.

    Smetvrees: ziekelijke angst om door vuil besmet te worden.

    Straat- of pleinvrees: angst om in een situatie of plaats te komen waaruit men meent niet meer weg te kunnen.

    Syndroom van Down: mensen met een verstandelijke handicap en een karakteristiek uiterlijk (Mongoolse trekken).

    Vraagdwang: dwangstoornis waarbij men steeds maar dezelfde vragen blijft stellen.

    Wasdwang: dwangstoornis waarbij men b.v. de handen overdreven vaak en grondig reinigt.

    terug naar boven
    terug naar Diversen
    12. : Literatuurlijst

    H. Lootens Jaarverslag Stichting het Gors 1998;

    A. Ruijmschoot Dwang neurose;
    Lelystad, 1991
    [Actuele Onderwerpen ,no 2352]

    A.C. Verhoef Ontwikkeling en opvoeding;
    Uitgeverij Nijgh Versluys, Baarn, 1997, pag 220-225

    Drs. P. Wilsman Dwang, over dwanghandelingen en -gedachten;
    Uitgeverij inmerc bv, Wormer, 1996

    Internet
    www.ocdvriendenkring.org
    www.tourette.nl
    www.downsyndroom.nl


    terug naar boven
    terug naar Diversen



    Bijlagen

    Kennis dwangneurosen gering

    Slechts één op tien piënten krijgt juiste behandeling

    AMSTERDAM - Slechts 10 procent van de patiënten met een dwangstoornis krijgt de juiste behandeling. Bij de groep die aan zeer hardnekkige dwanghandelingen of -gedachten lijdt, ligt dit percentage nog lager: 5 procent.

    Dit concluderen onderzoekers van de afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). Zij onderzochten honderd mannen en vrouwen van wie het merendeel al langer dan tien jaar met dwangstoornissen kampt. Al deze patiënten hadden al minstens twee hulpverleners gezien en waren daar niets mee opgeschoten.

    Smetvrees, twijfelzucht en agressieve dwanggedachten zijn de meest voorkomende varianten. De patiënten voelen de aandrang om bijvoorbeeld voortdurend handen te wassen, dingen recht te zetten, te bidden, of anderen pijn te doen. Naar schatting 2 tot 3 procent van de volwassen bevolking lijdt hieraan. ,,Dat is minstens één op de vijftig mensen en dat is veel'', zegt H. van Megen, hoofd van afdeling angst- en dwangstoornissen in het Utrechtse ziekenhuis. Ter vergelijking: een geschatte één op de honderd volwassenen heeft schizofrenie.

    Toch is onder hulpverleners de kennis over dwangstoornissen gering. 'Schokkend', vindt Van Megen dit. ,,Iedere huisarts met een gemiddelde praktijk van 2500 mensen zou zo'n 50 tot 75 patiënten moeten kennen met een dwangstoornis. In de praktijk blijken de meeste dokters het maar van vijf patiënten te weten.''

    Veel patiënten schamen zich zo dat zij gemiddeld zestien jaar wachten met hulp zoeken; veel hulpverleners herkennen het niet, of weten niet tot een juiste behandeling te komen.

    Terwijl een adequate therapie wel bestaat, aldus Van Megen. Milde stoornissen kunnen vaak afdoende behandeld worden met gedragstherapie. Voor mensen die lijden aan ernstiger vormen is daarnaast medicatie nodig. Meer dan 70 procent van de patiënten blijkt minstens een kwart van de klachten te kunnen kwijtraken. ,,Dat lijkt niet veel, maar voor iemand die zestien uur per dag een bepaalde handeling herhaalt, betekent dat toch vier uur minder last van dwang.''.

    Syndroom van Down

    Mensen met het syndroom van Down hebben enkele karakteristieke uiterlijke kenmerken, waardoor zij meestal duidelijk herkenbaar zijn. Op medisch gebied kunnen zich de nodige problemen voordoen. Zo wordt bijna de helft van hen geboren met een hartafwijking, die overigens in veel gevallen operatief te behandelen is. Preventief geneeskundig onderzoek door artsen of therapeuten die veel kinderen met Downsyndroom zien is van groot belang. Om daarin beter te voorzien zijn er in de afgelopen jaren op verschillende plaatsen specifieke Downsyndroom teams opgericht. Door eventuele problemen met de gezondheid vroegtijdig te behandelen zijn de kansen op een goede gezondheid en een betere levensverwachting sterk toegenomen.
    Kinderen met het syndroom van Down ontwikkelen zich trager dan andere kinderen, zowel lichamelijk als verstandelijk. Er is echter een grote variatie in wat ze kunnen bereiken. Niet alleen hun aanleg, maar vooral ook de mogelijkheden die hen geboden worden in hun omgeving spelen daarbij een belangrijke rol.

    De oorzaak van Downsyndroom is een andersoortig celdeling voor of vlak na de bevruchting. Het gevolg hiervan is een zogeheten trisomie 21. Dit betekent dat er in de lichaamscellen van het kind geen twee maar drie exemplaren van het 21e chromosoom aanwezig zijn. In een klein aantal gevallen is er sprake van een erfelijke oorzaak (z.g. translocatie-trisomie), maar meestal betreft het de niet erfelijke vorm. Het vermoeden dat een baby het syndroom van Down heeft wordt tegenwoordig altijd nader onderzocht door middel van een chromosomenonderzoek. Hiervoor wordt bij het kind een beetje bloed afgenomen. Met dit onderzoek wordt ook nagegaan of het om de erfelijke vorm gaat.

    Wat is autisme?

    Autisme is een stoornis die vooral gekenmerkt wordt door stoornissen in de intermenselijke communicatie. Het begrijpen en beoordelen van communicatie en relaties is daarbij ernstig verstoord. Vaak is er ook sprake van een gestoorde taalontwikkeling. Hoewel er naast autisme meer contactstoornissen bestaan, is autisme de meest voorkomende en veruit de bekendste. Omdat deze contactstoornissen verwant zijn aan en lijken op autisme, spreekt men ook wel van autisme en aanverwante contactstoornissen.

    Het woord “autisme” is afgeleid van het Griekse woord “autos” dat “zelf” betekent. Dit maakt duidelijk waar het in de kern bij autisme om gaat: een autist is zeer sterk in zichzelf gekeerd. Nogal eens wordt gedacht dat autisme altijd gepaard gaat met een verstandelijke handicap. Dat is echter onjuist. Van het totale aantal autisten is ongeveer twintig procent normaal begaafd en tachtig procent verstandelijk gehandicapt. Autisme kenmerkt zich door veel verschillende symptomen. Dat heeft deskundige lange tijd hoofdbrekens opgeleverd. Wanneer mocht je nu wel en wanneer mocht je nu niet spreken van autisme?
    Op basis van onderzoek is men tot de vaststelling gekomen dat van alle kenmerken die zich bij autisme kunnen voordoen, er slechts drie zijn die bij alle autistische kinderen voorkwamen. Op basis daarvan kunnen we autisme als volgt definiëren:

    We mogen spreken van autisme wanneer er sprake is van relatie- en contactstoornissen én taal- en spraakstoornissen én weerstand tegen veranderingen, die ontstaan voordat het kind tweeënhalf jaar oud is.

    Wanneer iemand wel ‘autistisch’ gedrag vertoont, maar niet (geheel) voldoet aan de criteria van autisme, spreekt men ‘autistiform gedrag’.

    Kenmerkende gedragingen van autisme zijn:
  • Relatie- en contactstoornissen; een autist is iemand met wie we moeilijk contact krijgen; hij is alleen op zichzelf gericht.
  • Taal- en spraakstoornissen; er is altijd sprake van een vertraagde taal- en spraakontwikkeling; soms leren ze nooit spreken.
  • Weerstand tegen veranderingen; een autist klampt zich angstvallig vast aan datgene wat vertrouwd en bekend is.
  • Opvallende zintuiglijke verschijnselen; veel autisten blijven steken in het zuigen, sabbelen en likken aan dingen.
  • Opvallende motorische verschijnselen; er is een opvallend verschil tussen motorische bewegingen onderling.
  • Extreme, schijnbare onlogische angsten.

    terug naar boven
    terug naar Diversen